Voor diegenen die het niet meer weten,
of bijna niet meer weten (zoals ik

)
maar even
in de Van Dale
opgezocht: Sneeuw
Gr, Remco
sneeuw (de)
1 neerslag in vlokken van tot kristallen bevroren waterdeeltjes
2 storing in televisiebeelden die aan sneeuwval doet denken
3 cocaïne
4 koolzuursneeuw
sneeuw·arm (bijvoeglijk naamwoord; sneeuwarmer, meest sneeuwarm)
1 (van landstreken) waar weinig sneeuw ligt of valt
sneeuw·bal (dem)
1 bal van samengepakte sneeuw
2 (biologie) kamperfoelieachtige heester
3 methode van verkoop, collecte enz., waarbij steeds één persoon anderen stimuleert ook mee te doen
sneeuw·bal·ef·fect (het)
1 het onstuitbaar voortgaan en zich explosief uitbreiden van een eenmaal op gang gebrachte ontwikkeling
sneeuw·bal·le·tje (het; sneeuwballetjes)
1 borrel die uit jenever of brandewijn met suiker bestaat
sneeuw·band (dem)
1 autoband voor het rijden op gladde wegen
sneeuw·bank (de)
1 bank van opeengestapelde sneeuw
2 sneeuwwolk
sneeuw·berg (dem)
1 hoge sneeuwhoop
2 berg waarvan de top bedekt is met eeuwige sneeuw
sneeuw·bes (de)
1 heester uit Noord-Amerika met kleine rozerode bloemen en op radijsjes lijkende witte vruchten
sneeuw·bla·zer (dem)
1 voertuig dat vers gevallen sneeuw mechanisch wegblaast
sneeuw·blind (bijvoeglijk naamwoord; sneeuwblindheid)
1 verblind door sterke lichtweerkaatsing in een sneeuwlandschap
sneeuw·boog (dem)
1 optisch verschijnsel waarbij een lichtboog op vers gevallen sneeuw gezien wordt
sneeuw·bril (dem)
1 bril die tegen sneeuwblindheid beschermt
sneeuw·bui (de)
1 dicht vallende sneeuw
sneeu·wen (onpersoonlijk werkwoord; sneeuwde, heeft gesneeuwd)
1 het vallen van sneeuw
sneeuw·front (het)
1 front dat sneeuw aanvoert
sneeuw·gans (de)
1 uit Noord-Amerika afkomstige gans die, op de zwarte vleugelspitsen na, geheel wit is
sneeuw·ge·berg·te (het)
1 gebergte waarvan de toppen boven de sneeuwgrens liggen
sneeuw·ge·bied (het)
1 met sneeuw bedekt gebied dat geschikt is voor wintersport
sneeuw·gor·del (dem)
1 gordelvormig gebied waar sneeuw valt of ligt
Quote selectie