Pas op latere leeftijd realiseerde ik mij, dat ik tijdens mijn kinderjaren eigenlijk helemaal geen mooie voorjaren heb meegemaakt. Trouwens ook geen mooie zomers. Ik heb het dan over de jaren '60. Het voorjaar verliep in dat decennium doorgaans gewoon koud en nat. Alleen in 1968 waren er enkele ontijdige zomerachtige dagen in maart en april. Maar bestendig droog en zonnig voorjaarsweer met oostenwindtoestanden kwam toen uiterst zelden voor.
In het algemeen was het weer tijdens de jaren '60 toch slecht. Tijdens een VPRO-documentaire over de roerige jaren '60, de PROVO-tijd en het flower-power tijdperk van de hippies, hoorde ik zo'n overjarige kabouter compleet met lang haar, snor en baard ergens eind jaren '70 of begin jaren '80 klagen: "...typisch was dat het in die tijd ook nooit mooi weer was; het regende altijd". Goed voor z'n mars natuurlijk, maar de kabouter had wel gelijk. Treffend zelfs.
De jaren '60 hadden wél mooie kwakkelwinters - net als de jaren '50. Bijna elke Kerstvakantie was er wel korter of langer sneeuw- en ijsplezier. Zelfs gebeurde dat nog in de voor het overige heel zachte winter van 1966-1967.
Maar het betere weer is toch pas vooral vanaf de jaren '70 gekomen. Ik heb het ooit al eens eerder opgeschreven: In de zomer van 1971, tijdens een mooiweerperiode in juli, was er de gedachtenschakeling in mij: "Het kan ook mooi zijn in de zomer". Tot dan toe kende ik voornamelijk zomers met slechts enkele hete dagen die subiet gevolgd werden door onweer met afkoeling uit het zuidwesten en aansluitend winderig weer dat van de kook raakte.
Het voorjaar van 1971 kende aardige momenten, dat van 1974 was voor het eerst echt goed en blijvend leuk heb ik nadien vooral gevonden de door droogte en (noord)oostenwinden gedomineerde lentes van 1976, 1980, 1982, 1986, 1996 en 2003.
Quote selectie