Dit verschil wordt veroorzaakt door de hoeveelheid water die in de sneeuw zit. In koude omstandigheden is de sneeuw volledig droog, terwijl bij temperaturen rond/boven het vriespunt de relatieve hoeveelheid water in de sneeuw hoger is. Dat betekent dat sneeuw relatief zwaarder is voor het hetzelfde volume, m.a.w. een hogere dichtheid heeft.
In de wetenschappelijke literatuur is er al een uitdrukking voor de dichtheid van verse sneeuw bekend (Hedstrom and Pomeroy, 1998), die empirisch is bepaald op basis van sneeuwmetingen in Canada.
ρs = 67.9 + 51.3*exp(T/2.6)
Bijgevoegd een grafiekje, waar je kan zien dat de dichtheid van sneeuw exponentieel toeneemt met temperatuur.
Dit betekent dat voor ongeveer bij ongeveer 0 graden, 10 mm neerslag ongeveer 10 cm sneeuw geeft (dichtheid 100 kg m-3).
Bij lagere temperaturen daalt de dichtheid van sneeuw, maar wordt nooit lager dan 67.9 kg m-3. Dat betekent dat bij erg lage temperaturen, 10 mm neerslag ongeveer 13 cm sneeuw kan geven.
Deze berekening houdt natuurlijk geen rekening met extra ventilatie of lucht tussen sneeuw, wat vooral belangrijk wordt bij hoge windsnelheden.
Jan
Quote selectie