Hoi Steijn,
Da's een goede vraag. Het is nogal theoretisch, maar heeft alles te maken met de windverandering met de hoogte.
Als de wind op middelbare niveaus sterk anders is dan die in de onderste honderden meters, krijgen buien de neiging om zich te gaan opsplitsen ("storm splitting"), waarbij de beide kernen enigszins links en rechts van de oorspronkelijke trekrichting bewegen, van elkaar af; resp. de leftmover en rightmover.
Stel nu dat de gemiddelde wind (op het Noordelijk Halfrond) in de onderste kilometers sterk ruimt met de hoogte.
Dan heeft de luchtdruk in de rightmover de neiging om op middelbare niveaus te dalen. Er is nl. een analogie met drukvariaties rondom een obstakel dat in een stroming wordt geplaatst. Zoals de druk aan de stroomopwaartse zijde van het obstakel stijgt en aan de stroomafwaartse zijde daalt, zo stijgt de luchtdruk aan de buizijde waar de "windscheringsvector" (bv. de westzijde bij toenemende westenwinden met de hoogte) vanaf wijst en daalt de luchtdruk aan de andere zijde van de bui.
En aangezien de wind in de onderste kilometers meestal ruimt met de hoogte (o.i.v. wrijving of bij aanvoer van warmere lucht), zie je vaker rightmovers dan leftmovers.
't Is een theoretisch verhaal, maar eenvoudiger weet ik het niet uit te leggen...
Groet,
Alwin
Quote selectie