De basis van een buienwolk zit vaak tussen de 500 en 1500 meter, soms lager, soms hoger (winter vaak lager, zomer vaak hoger). De top van een bui ligt tussen 6 en 10, soms tot 15 km. Het feitelijke gebied waarin neerslag vormt, zit tussen +5 en -20 graden, in de zomer is dat meestal tussen de 3 en 6 kilometer hoogte. De neerslag smelt en valt onder dat niveau, dus vanaf 3 kilometer naar beneden. Terwijl de neerslag nog in de wolk zit, kan deze ook weer naar boven worden getransporteerd door opstijgende lucht. Zodra hij onder de wolkenbasis vandaan komt, valt de neerslag meestal gelijk naar de grond.
Wat betreft de radar moet je er rekening mee houden, dat de radar dus onder een hoek kijkt. Vooral in situaties met droge lucht onderin de atmosfeer, kan je daardoor verkijken op de neerslag. Die verdampt mogelijk nog voordat die op de grond komt. Als de bui dichter bij de radar komt, kan het daardoor ook lijken alsof hij minder heftig wordt.
Met onweersbuien in de zomer kan het zijn, dan er veel neerslag valt, wat vooral beneden de 3 kilometer zal zijn. Als een bui op 10 kilometer afstand is, worden alle druppels gereflecteerd tussen 100 meter en 5 km hoogte. Een bui op 180 kilometer afstand, wordt alleen de neerslag van gemeten tussen 1,5 kilometer en 30 kilometer hoogte. Naar boven toe is niet zo interessant, maar de onderste 1,5 kilometer wordt gemist. Daardoor kan een bui minder intensief lijken aan de rand van de radar, maar feller worden (op het beeld) naar mate hij dichterbij komt.
Gr. Ben
Quote selectie