voor het verdere verloop van de winter, tenminste als je van kou houdt. Meestal volgt op vroege kou een zachte winter met als "gruwelijke" voorbeelden 1925, 1980 en 1993. Waar we ons aan vast kunnn klampen is één van de weinige uitzonderingen: 1890. Toen ging het eind november hard vriezen en volgde een ijskoude december.
Er is geen enkel statistisch bewijs dat op een koude november er een statistisch hogere kans op een zachte(re) winter zoun zijn. Een statistisch onderzoek van enkele jaren geleden, uitgevoerd door Alwin Haklander, toonde al aan dat er statistisch geen enkel verband bestaat tussen vorstperioden in november en het totale koudegetal van de daaropvolgende winter. Daar bleken tal van échte vorstperioden in november uit die toch aan een dikwijls zelfs Grote Winter voorafgingen. Zelfs het optreden van winterprikken (d.w.z. kou die niet voldoet aan de definitie "vorstperiode") in november heeft geen enkel aantoonbaar statistisch verband met de koude in de daaropvolgende winter.
Je schrijft dat "één van de weinige uitzonderingen" november 1890 zou geweest zijn, maar dat is ook absoluut niet correct.
Als je de novembermaanden van de afgelopen 100 jaar eruit haalt waarin Hellmanpunten gescoord zijn (laten we aannemen dat dit toch novembers waren met benoembaar winterweer of winterprikken), dan zie ik al minstens 8 winters die "te koud" waren in hun totaliteit. Meer nog: de ronduit Grote Winter van 1942, maar ook kanjers als 1986, 1996, 1909, 1922 en 1924 zijn voorafgegaan door novembers met significant winterweer.
Statistisch gezien wijkt het optreden van novemberkou helemaal niet af van het normale winterpatroon. Er is dus helemaal geen statistisch verband. De stelling "winter in november is niet goed" kan wat mij betreft dan ook naar het rijk der fabelen verwezen worden.
Quote selectie