De originele betekenis van het woord winter is waarschijnlijk het regenachtige of natte seizoen.
zie Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT)
Er zijn ook andere verklaringen maar de 1e kom je ook in buitenlandse etymologische woordenboeken vaak tegen.
"znw. m., soms ook onz., mv. -s. Mnl. winter; os. wintar, mnd. winter, nnd. winter; ofri. winter, nfri. winter; oeng. winter, neng. winter; ohd. wintar, nhd. winter; on. vetr; got. wintrus.
Het woord wordt meestal teruggevoerd op een idg. wortel *?d- ‘nat maken’, die ook ten grondslag ligt aan b.v. water, waarbij men uitgaat van een grondbet. ‘nat jaargetijde, regentijd’ (de n wordt dan door binnennasaliseering verklaard; vgl. POKORNY 79).
Er wordt ook wel verband gelegd met wind of Iersch find ‘wit’, waarbij de grondbet. zou zijn ‘stormachtige periode’ of ‘witte sneeuwtijd’"
Quote selectie