...waardoor de convectie ontstaat en het 'soort' convectie: in dit geval (semi-)georganiseerde buienclusters die deels een eigen dynamiek creëren, dus door de uitstroom van koude lucht een eigen lagedrukgebiedje binnen een bredere convergentiezone. Het accent van de zwaarste buien komt dan vaak te liggen op het punt waar de windruiming het sterkste is. Dat is donderdag, volgens GFS althans, in de buurt van de land-zeescheiding aan de westkust van Nederland. Boven zee zal de wind al meer geruimd zijn (minder frictie) dan boven land, dus krijg je daar een sterkere convergentie. Verder is de grootschaligere drukverdeling zodanig, door het laag boven het VK, dat de kromming van de isobaren ook een bijdrage levert aan de convergentie in het westen.
Tegenover dit verhaal staat het feit dat de onstabiliteit in het zuidoosten en oosten wat hoger zal zijn. Daar worden hogere temperaturen gehaald en schijnt de zon waarschijnlijker langer (hangt uiteraard samen), zodat er CAPE-waarden van 1000 tot 1500 J/Kg mogelijk zijn. Dat is zeker geen geringe onstabiliteit. Daarentegen is de atmosferische opbouw in het westen en zuidwesten beter, omdat daar meer wind op hoogte staat. Die windschering is nodig om de buien een langer leven te geven (stijg- en daalstroom raken beter georganiseerd).
Als ik voor donderdag nu een zone moet aanduiden met de hoogste kansen op fiks onweer en eventuele significante randverschijnselen (windstoten, hagel) dan zou ik een strook van 100 km breed nemen ten oosten van een lijn vanaf Rijsel via Bergen op Zoom naar Weesp, zoiets. Dit is in een scenario met gefragmenteerde buienclusters, deels opgelijnd, die van WZW naar ONO over de Benelux trekken. Als de diepe windschering iets sterker wordt, en de wind wat 'rechtlijniger' opgebouwd is, bestaat ook de kans op een meer aaneengesloten en sneltrekkende buienlijn (
squall lijn).
Gr. Ben
Quote selectie