Heb een vraag over buien die vanaf de midlevels getriggerd worden. Zijn dat types die vnl. in de ochtenduren voorkomen bij gebrek aan voeding vanaf de grond?
Ik heb altijd gedacht dat bij een vore of conv.lijn de voeding altijd vanaf de grond plaatsvindt (zelfs als er weinig energie voorradig is aan de grond).
Grts
Interessante vraag. Ik zal proberen mijn visie hierop te geven.
Buien vanaf middelbaar niveau hebben altijd optilling/forcering nodig om te kunnen ontstaan. Dit kan een vore, convergentielijn of front zijn, eventueel in combinatie met een hoogtetrog. Deze buien kunnen het hele etmaal door ontstaan en zijn niet gebonden aan land of water. Castellanus vormt een eerste indicatie van midlevel convectie. Bij verdere optilling klontert deze bewolking samen tot grotere elementen en borrelen ze verder omhoog. Eenmaal de toppen het ijskiemniveau bereiken of een altostratusdek binnengroeien groeien ze uit tot cumulonimbi. De kou uitstroom uit die buien kan vervolgens nieuwe cellen triggeren. Bovendien kan die koude lucht het 'deksel' opruimen en onstabiliteit vanuit de grenslaag aanspreken. Bij verdere ontwikkeling worden ze dan ook vanaf de grond gevoed. In de nacht en vroege ochtend is er bij de grond weinig energie voorradig vanwege de nachtelijk grondinversie dus zit de voeding toch nog op enige hoogte. Wel kan het optillen van de vochtige stabiele lucht nabij het aardoppervlak mooie rolwolken en shelfclouds leveren.
Aan Cb's, die meteen al vanaf de grond worden gevoed, gaat (in hun ontstaansgebied) altijd cumulus vooraf. Deze ontwikkeling bewandelt het geijkte pad en begint met cumulus humilis, samenklonterend via mediocris naar congestus, om uiteindelijk tot Cb's uit te groeien. Ook tijdens de ontwikkelingsfase vanaf middelbaar niveau zijn cumuli te zien echter hebben deze een gepolijsde basis met rafelige stukken terwijl cumuli vanuit de grenslaag een wollige basis hebben.
Eigenlijk kun je stellen dat in een situatie met veel CAPE maar ook veel CIN (Spaanse pluim bijvoorbeeld) de ontwikkeling vanaf middelbaar niveau begint tenzij de opbouw stroomopwaarts gunstig is om vanaf de grond ontwikkeling toe te staan (zoals 28 juni j.l.). Voor jouw regio zal dit laatste vaker opgaan omdat heuvels (Ardennen/Vogezen) ook voeding vanaf de grond bevorderen maar boven het laagland beginnen nieuwe buien in dit geval vrijwel altijd vanaf middelbaar niveau. Er zit dan vaak zoveel WA in de onderste 1-2 km dat de thermiek niet door de steeds warmer wordende luchtlaag heen kan borrelen. Als het lukt lukt het alleen tijdens het heetst van de dag (tussen 2 en 5 's middags).
Bruikbare parameters voor het inschatten van middelbare convectie zijn de showalter index maar vooral de soaring-index of k-index (kinx in soundings). Deze laatste neemt T en Td op 850hPa, T500 en de dauwpuntdepressie (T-Td) op 700 hPa. De vochtigheid op 700 hPa (ca 3 km) is belangrijk omdat ontwikkelende stapelwolken daar eerst door heen moeten borrelen om tot buien uit te kunnen groeien. Dit geldt overigens ook voor convectie vanuit de grenslaag/vanaf de grond. Bovendien kan een hoge rv of kleine dauwpuntsdepressie op 700 hPa een indicatie zijn voor optilling.
Een soaringindex boven de 30 geeft al kans op onweersbuien en boven de 35 een grote kans op onweer (en toenemende kans op zwaar onweer). Op wetter3de2 zijn hier kaartjes van te vinden. Hoe paarser hoe onstabieler.
groeten Victor
Quote selectie