Dat gaan we even testen ...

Bericht van: Tom (Nijmegen) , 21-08-2012 13:23 


DE AFSLUITING EN DROOGMAKING DER ZUIDERZEE.

WEERLEGGING VAN BEZWAREN.




DEEL I.

DE AFSLUITING EN DROOGMAKING
DER ZUIDERZEE.


DEEL II.

WEERLEGGING VAN BEZWAREN.


UITGEGEVEN DOOR DE ZUIDERZEE-VEREENIGING.

[Decoratieve illustratie]


N. V. BOEKHANDEL EN DRUKKERIJ
voorheen E. J. BRILL, LEIDEN 1917.




BOEKDRUKKERIJ voorheen E. J. BRILL.—LEIDEN.




VOORWOORD.


In den eersten jaargang van den „Praktischen Volks-Almanak”, een
jaarboekje ter verspreiding van kennis der „Toegepaste Wetenschappen”,
uitgegeven te Haarlem bij A. C. KRUSEMAN, en verschenen 1 Januari 1854,
komt als titelplaat voor „_Haarlemmermeer_”.

Dit volgens onze begrippen vrij ouderwetsche prentje is verdeeld in
3 afdeelingen: de bovenste stelt voor een gevecht te water tijdens
het beleg van de stad Haarlem in 1573; in het verschiet ziet men het
ommuurde Haarlem liggen. Het tweede prentje geeft ons den toestand in
1850, een rustige ringvaart met eenige schepen, en het stoomgemaal de
Lynden, bij de uitmonding van het Spaarne, dat met de beide andere,
voor dien tijd zeer machtige machines de Leeghwater en de Cruquius,
aangevangen is het water uit de „Meer” te pompen, tot afvoer door de
Ringvaart, en verder naar zee langs Spaarndam, Halfweg en den
Katwijkschen Rijn.

Het onderste prentje bevat een toekomstbeeld; het stelt voor vruchtbare
landerijen met boerenwoningen, een kerkje, melkvee in de weiden en
gemaaide hooilanden; onder dit prentje staat bij wijze van open vraag
het onbekende jaartal 18...

Een bijschrift „bij de Titelplaat” bevat het volgende hoogst
merkwaardige slotstuk:

„En zoo is dan dit werk gelukkig ten einde gebragt; 18100 bunders
land zijn voor den landbouw gewonnen, en reeds gedeeltelijk tot
hooge prijzen in handen van bijzondere personen geraakt. Thans heeft
het werk der ontginning eenen aanvang genomen en wordt dit met ijver
doorgezet, en nu mogen wij ook verwachten, dat onze oogen nog zullen
aanschouwen, waarop velen de hoop reeds hadden opgegeven:—den
bodem van het voormalige Haarlemmermeer veranderd in een groene
vlakte, met vruchtbare bouwlanden en veerijke weiden, met woningen
door geboomte omgeven, met wegen en kanalen, langs welke de
voortbrengselen van dien aan de golven ontwoekerden grond naar
elders vervoerd zullen worden.”

„Die gebeurtenis, de droogmaking en ontginning van het
Haarlemmermeer, is een gewigtige gebeurtenis. Vermeerdering van de
productie der eerste levensbehoeften, ziedaar eene der grootste, der
dringendste eischen van onzen tijd, en aan dien eisch kan slechts
worden voldaan door het scheppen, om zoo te zeggen, van nieuwen
bouwgrond, en door de verhooging van het voortbrengingsvermogen
van alle bebouwd wordende gronden, hetzij oude, hetzij nieuwe.
Het eerste geschiedt door het droogmaken van tot dusver met water
overdekte bodems; het tweede door de toepassing der regelen van den
verbeterden landbouw; de ontginning van heidevelden en duingronden

staat als het ware tusschen beide in.—Elke aanwinst van land, en
met name zulk een groote aanwinst als van den Haarlemmermeer-polder,
is dus eene gewigtige, een heugelijke gebeurtenis, waarvan de
gezegende gevolgen niet zullen uitblijven, al vertoonen zij zich
ook al niet terstond zoo duidelijk. Verblijden wij ons daarom, dat
het groote werk ten einde is gebragt; maar wenschen wij tevens, dat
het niet het laatste van dien aard moge blijven, maar dat de goede
uitslag daarvan eene aansporing moge zijn tot meer dergelijke
ondernemingen, die niet anders dan voordeelig kunnen werken op den
welstand der natie.”

Die opmerkingen zijn zoo frisch, die woorden zijn zoo juist gekozen,
dat zij even goed op het huidige oogenblik geschreven konden zijn.
Hoe juist blijkt thans uit de opgedane ondervinding die blik in de
toekomst geweest te zijn! Wanneer men bij deze woorden, maar vooral
naar aanleiding van het derde prentje, de verwachte toekomst in 18.. een
opmerking zou willen maken, dan zou het deze zijn: dat de verwachtingen
te bescheiden waren, de boerenwoningen op die afbeelding zijn maar
armzalige huisjes in vergelijking met de prachtige boerderijen, welke
thans alom in de Meer te vinden zijn.

De droogmaking van de Haarlemmermeer heeft ook ongunstige tijden
gekend; zelfs toen het werk reeds aan den gang was, lieten de
ongeluksprofeten nog hun afkeurende stem hooren, des te luider naarmate
er eenige tegenvallers onder het werk kwamen. Later zijn bij de uitgifte
fouten begaan; zoowel door de uitgifte der gronden op een oogenblik, dat
deze nog niet voldoende afgewerkt waren, als door een verkoop van de
meer dan 18000 hectaren te spoedig na elkaar aan de meestbiedenden; de
verkoop werd zelfs voortgezet toen er bijna geen gegadigden meer waren.

Hoe nietig en hoe onjuist gelijken ons nu de argumenten der
tegenstanders; zeker er waren bezwaren tegen de droogmaking in te
brengen; voor die bezwaren is echter een uitweg gevonden, en stellig
zou niemand thans tot den ouden toestand willen terugkeeren, indien die
droogmaking door eene tooverformule ongedaan gemaakt zou kunnen worden.
En toch heeft het twee honderd jaren geduurd sedert JAN ADRIAANSZOON
LEEGHWATER, ingenieur en molenmaker in de Rijp, in 1640 een eerste
ernstig ontwerp tot droogmaking in het licht gaf; binnen drie jaar
waren zijne plannen voor de derde maal herdrukt; over gebrek aan
belangstelling kon hij dus niet klagen. Eerst in het jaar 1839 werd tot
de uitvoering besloten, nadat hevige stormvloeden in 1836, die zoowel
Leiden als Amsterdam ernstige schade hadden toegebracht, de minst
belangrijke zijde van het vraagstuk aan den volke op gevoelige wijze
duidelijk hadden gemaakt. Men vatte eerst den moed tot de onderneming,
toen men de schade van den bestaanden toestand plotseling gewaar was
geworden. De schitterende uitkomsten zouden pas worden erkend door een
later geslacht, dat dan ook den twijfel om tot de uitvoering over te
gaan niet meer heeft kunnen begrijpen.

Bij de Zuiderzeezaak begint het er hard naar te gelijken, dat de
geschiedenis zich hier zal herhalen. Reeds jaren en jaren is op
het groote belang van die afsluiting en drooglegging gewezen; het
Nederlandsche volk is weder traag geweest in het verwerken van deze
gedachte, in de aanvaarding van dit grootsche plan; men gevoelde niet de
dringende noodzaak om als verdediging tegen de woedende baren onverwijld
dit werk te ondernemen en bleef dus beschouwen, wikken en wegen ja
erger nog: de groote menigte gaf zich nauwelijks de moeite dit plan ook
maar een oogenblik met ernst te onderzoeken.

In de laatste jaren is in dit opzicht een kentering gekomen;
aangezien ondernemende ministeries eenige malen een wetsontwerp
tot gedeeltelijke afsluiting en drooglegging bij de Staten-Generaal
indienden, kwam de zaak meer algemeen ter sprake, en gelukkig groeide
het aantal voorstanders letterlijk bij den dag. Toch waren het weder
noodtoestanden, welke het besef in het nut der onderneming in Nederland
goed wakker schudden; de hooge vloeden in vele illustratiën afgebeeld,
spraken meer tot het gemoed, ofschoon de voordeelen, door het scheppen
van een nieuw gebied, zoo groot als eene provincie nog verre overtreffen
de beëindiging van de nadeelige toestanden, welke ook thans aan den
lijve werden gevoeld.

Ons tegenwoordig ministerie, dat door politieke vóór- en tegenstanders
wordt geroemd om zijn energie, en doorzettingsvermogen in de hevige
oorlogscrisis, waaronder ook Nederland gebukt gaat, heeft ook den
moed gevonden opnieuw een ontwerp in te dienen tot afsluiting en
gedeeltelijke drooglegging der Zuiderzee; gelukkig vooral ook dat het
grootsche plan der afsluiting wederom opgenomen is.

Van de zijde der Zuiderzee-Vereeniging mag voor deze daad zeker wel een
eeresaluut aan de Regeering worden gebracht.

De Zuiderzee-Vereeniging heeft reeds een groot aantal rapporten,
boeken, verhandelingen enz. over de Zuiderzeequaestie en hare details
uitgegeven; eene lijst van deze uitgaven is ook weder aan dit boekje
toegevoegd. Naar aanleiding van de indiening van dit wetsontwerp
heeft de Vereeniging het wenschelijk geoordeeld nog eens een beknopt
overzicht te geven van het geheele plan tot afsluiting en gedeeltelijke
drooglegging, en van den inhoud der omvangrijke bibliotheek harer eigen
uitgaven; de heer dr. A. A. BEEKMAN, de onvermoeide strijder voor
de Zuiderzeezaak, heeft zich tot onze groote erkentelijkheid bereid
verklaard een dergelijk, kort overzicht samen te stellen, dat wij
hierbij als toelichting onzerzijds op het Wetsontwerp aan het publiek
voor leggen. Dit boekje bevat dus op zich zelf niets nieuws; men vindt
daarin terug feiten, gegevens en gedachten, die verspreid zijn over vele
geschriften de Zuiderzeezaak betreffende; het is dus feitelijk eene
verkorte opsomming van de hoofdzaken, in die uitgebreide bibliotheek van
uitgaven der Zuiderzee-Vereeniging en van andere tijdschriften, in vele
details uitgewerkt. Het motief voor het uitgeven van dit boekje is dus,
dat het van groot nut kan zijn om voor de nog niet ingewijden in korte
trekken een beeld te geven van het doel der afsluiting en drooglegging
en van de werkwijze, en om diegenen, die verder studie van de zaak
willen maken, te helpen tot het vinden van een weg in de uitgebreide
litteratuur over dit onderwerp. Daarom is telkens bij de behandeling
van belangrijke onderdeelen verwezen naar de boekwerken en artikels
bepaaldelijk daaraan gewijd.

In den laatsten tijd zijn een aantal geschriften en artikels uitgekomen
tot bestrijding van de plannen tot afsluiting der Zuiderzee; er zijn
daaronder, welke nieuwe argumenten daartegen schijnen aan te voeren.
Daar die artikelen allen berusten op onjuiste gegevens of onvolledige
kennis van de werkelijke toestanden, hebben wij het nuttig geoordeeld
ook eene nadere bespreking aan die laatste artikelen te wijden, welke
Dr. BEEKMAN op ons verzoek ook heeft willen te boek stellen; onder den
titel van „Weerlegging van Bezwaren” is deze behandeling als tweede deel
bij dezen bundel gevoegd.

Wij geven dus thans het woord aan dr. A. A. BEEKMAN.

Amsterdam, 6 Januari 1917.

Het Dagelijksch Bestuur der Zuiderzee-Vereeniging:

Mr. G. VISSERING, _Voorzitter_.
Mr. H. SMEENGE, _Onder-Voorzitter_.
Dr. J. KRAUS.
L. VOLKER Azn.
Jhr. Mr. P. VAN FOREEST.
TH. VAN WELDEREN Baron RENGERS.
Jhr. Mr. J. F. BACKER, _Penningmeester_.
Mr. C. J. PEKELHARING, _Secretaris_,

Nieuwendijk 121 Amsterdam.




VOORREDE.


Nu door de Regeering een wetsvoorstel is ingediend tot afsluiting en
droogmaking van een aanzienlijk gedeelte der Zuiderzee en misschien
binnen korten tijd een aanvang zal worden gemaakt met het groote
werk, door velen reeds lang in 't belang van hun vaderland zoo vurig
verlangd,—nu meende de Zuiderzee-Vereeniging nog eens haar stem te
moeten doen hooren voor de zaak waarvoor zij reeds zooveel jaren streed.

Iets nieuws zal zij daarbij zeker niet meedeelen. Immers zij heeft
reeds ruim 28 jaar de natie naar haar beste weten voorgelicht. Zij heeft
dit o. a. gedaan door de uitgave van een groot aantal geschriften, die
de technische, oeconomische, maatschappelijke en geldelijke zijden van
de Zuiderzeezaak behandelen in haar ganschen omvang niet alleen, maar
ook meer in 't bijzonder die zaken die daarmede in verband staan,
waaromtrent een nader onderzoek nog gewenscht scheen, twijfel werd
uitgesproken, bezwaren werden te berde gebracht.

De Zuiderzee-Vereeniging wil echter nog eens in 't kort samenvatten wat
is geschied, nog eens de krachtige argumenten doen hooren die pleiten
voor de grootsche voorgenomen daad, die Nederland zooveel krachtiger zal
maken, nog eens den geopperden twijfel wegnemen, de vernomen bezwaren
weerleggen. Zij wil nog zooveel mogelijk onwetenden voorlichten,
wankelmoedigen een hart onder den riem steken, tegenstanders tot
voorstanders maken, opdat het Nederlandsche volk zooveel mogelijk één
van zin de schouders zette onder het werk, om het met veel arbeid,
moeite en offers te brengen tot een goed einde.

De Zuiderzee-Vereeniging wenscht daarom dat dit geschrift in veler
handen kome.

Voor dit doel werd het zoo beknopt mogelijk ingericht, naar ik hoop voor
iedereen goed verstaanbaar, werden de mededeelingen wèl gedocumenteerd,
terwijl voor hen die omtrent vraagstukken, samenhangende met de
Zuiderzeezaak, meer uitvoerig wenschen te worden ingelicht, verwezen
wordt naar de werken, stukken en bescheiden, die daarover het licht
hebben gezien.

Namens het Bestuur der Zuiderzee-Vereeniging,
het Lid van het Algemeen Bestuur:
Dr. A. A. BEEKMAN.




INHOUD.


Deel I.—#De afsluiting en droogmaking der Zuiderzee.#

Blz.

Voorwoord V

Voorrede XI

Inleiding 1

I. Beschrijving van de Zuiderzee.

II. Geschiedkundig overzicht der plannen tot afsluiting en
droogmaking.

Werk van VAN DIGGELEN 9
Plan BEIJERINCK 10
Gewijzigd plan BEIJERINCK 10
Regeeringsontwerp 1877 11
Circulaire BUMA en VAN DIGGELEN 13
Oprichting Zuiderzee-Vereeniging 14
Nota's der Zuiderzee-Vereeniging 15
Benoeming Staatscommissie 1892 16
Verslag Staatscommissie 1894 17
Regeeringsontwerp 1901 17
Regeeringsontwerp 1907 17
Regeeringsontwerp 1916 18

III. Plan van afsluiting en droogmaking der
Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie.

Beschrijving 19
Duur van het werk en werkplan 28

IV. De gevolgen van technischen aard.

Voor de waterkeering 29
Voor de afwatering 31
Verdwijnen der lage Zuiderzeestanden 33
Invloed op de afwatering van Friesland 34
Voor de wateraanvulling en waterverversching 37
Kwel door en onderdoor den afsluitdijk 43
Beschikbare hoeveelheid water ter inlating 45
Voor de scheepvaart 46
Zand- en slibaanvoer op het IJselmeer 48
Bezwaren van technischen aard 49
Gebruik van gewapend beton 52

V. De aanwinst van grondgebied.

Internationale beteekenis van Nederland verhoogd 55
Aard der gronden 55
Ontzilting der nieuwe gronden 57
Voorbereiding der gronden vóór de uitgifte 58
Verkaveling en perceelsindeeling 59
Teleurstellingen vroeger ondervonden met nieuwe
gronden 59
Bruto- en netto-opbrengsten der Zuiderzeegronden 60
Wijze van uitgifte der gronden 62

VI. De Zuiderzeevisscherij vóór en na de afsluiting.

Opbrengst van de Zuiderzee-visscherij 65
Uitkomsten onderzoek geheel bedrijf 66
Vergelijking beteekenis visscherij met die van het
landbouwbedrijf in de nieuwe provincie 68
Schadeloosstelling oude visschers 69
Zoetwatervisscherij na de afsluiting 70

VII. De economische, maatschappelijke en finantieele zijde van
de afsluiting en droogmaking.

Bevolking in de nieuwe provincie 72
Bewoonbaarmaking 73
Gevreesde daling van de waarde der oude gronden 74
Tekort aan grond 74
Voldoend aantal landbouwers beschikbaar 76
Geen werkloozen aan het einde van het werk 77
Arbeidsloonen op oude gronden 77
Vermoedelijke verkoopprijzen nieuwe gronden 78
Grondwaarde en prijzen der producten 79
Tarweverbruik in Nederland onafhankelijk van het
buitenland 80
Ontginning woeste gronden 81
Maatschappelijke voordeelen 84
Vermeerdering der arbeidsgelegenheid 84
Voordeelen voor de nijverheid 85
Idem voor verkeer en marktwezen 86

De kosten.

Verhooging der kosten in de laatste 25 jaar 86
Raming der kosten 87
Beperking van het plan 88
Nadere finantieele beschouwingen 90
Raming van de indirecte voordeelen der afsluiting 91
Noodzakelijkheid van de uitvoering 93
Indijking bij kleine gedeelten zonder afsluitdijk 94
Achtereenvolgens indijken en droogmaken der 4 deelen
zonder afsluitdijk 96


Deel II.—#Weerlegging van bezwaren.#

Weerlegging van bezwaren 99
Slotwoord 148




DEEL I.

DE AFSLUITING EN DROOGMAKING DER ZUIDERZEE.




INLEIDING.


Midden in ons klein land ligt een groote dikwijls onstuimige plas zout
water, een binnenlandsche zeeboezem, die door kostbare dijken en dammen
binnen zijn perken moet worden gehouden, waarop de scheepvaart dikwijls
lastig en gevaarlijk is, die in droge tijden voor gansche gewesten den
aanvoer van zoet water uit de groote rivieren geheel belemmert, die een
schamele visschersbevolking slechts een sober of geheel onvoldoend
bestaan oplevert...

Als men een groot gedeelte van dien plas afsluit en hem daardoor in
een veel kalmer zoetwatermeer verandert, dan moet de welvaart van de
omliggende gewesten zoo belangrijk stijgen, dat daardoor alleen de
kosten der afsluiting grootendeels, zoo niet geheel worden goed gemaakt.

Als men daarna de daarvoor geschikte gedeelten binnen de afsluiting
droogmaakt, dan verkrijgt men een nieuwe provincie, 30000 H.A. grooter
dan de Provincie Zeeland, met een bij uitnemendheid vruchtbaren bodem,
waarop ongeveer tweehonderd vijftig duizend menschen een goed bestaan
kunnen vinden, waardoor handel, nijverheid, marktwezen ook daarbuiten
zullen gebaat worden.

Daar zal men dan kunnen breken met het oude pachtstelsel en het
sociaal-landhuishoudkundig vraagstuk oplossen op de beste wijze die
theorie en praktijk aan de hand doen.

En wat in dat maagdelijk gewest door voorlichting van de meest
bevoegden op menig gebied zal worden toegepast en goede uitkomsten
geeft, dat zal ook daarbuiten navolging vinden tot heil van het gansche
land.

Nederland zal zijn internationale beteekenis zien rijzen door de
vreedzame verovering van een grondgebied, 11 à 12 Haarlemmermeren groot,
met een welvarende bevolking.

De natie zal door inspanning en strijd een grootsche daad hebben
verricht en daardoor aan kracht hebben gewonnen.

En dat alles zal verkregen worden met betrekkelijk weinige, misschien
zonder geldelijke opofferingen.

Dit alles zal in het volgende nog eens voor de zooveelste maal worden
aangetoond.

[Illustratie]




I. Beschrijving van de Zuiderzee.


Tot juist begrip van de plannen van afsluiting en droogmaking ga hier
een korte beschrijving vooraf van den zeeboezem, dien wij tegenwoordig
de Zuiderzee noemen.

De Noordzee-eilanden bestaan voor een groot gedeelte, enkele zelfs
geheel, uit de overblijfselen van een duinrij en de onmiddellijk daaraan
grenzende geest- of zandgronden. Die duinrij strekte zich eenmaal
verder zeewaarts uit en was minder sterk doorbroken dan nu. Tusschen de
tegenwoordige eilanden Vlieland en Terschelling kwam een groote stroom
in zee, het Vlie of de Flevus der Romeinen, die Zuid–Noord loopend de
uitwatering vormde van een groot meer, het meer Flevo, dat een groot
gedeelte van de tegenwoordige zuidelijke kom besloeg en waarin de IJsel,
de Vecht en kleinere rivieren als de Eem, de Overijselsche Vecht, enz.
uitkwamen.

Het Eierlandsche Gat tusschen Eierland (nu het noordelijk deel van het
eiland Texel) en Vlieland is later, na het begin der 14de eeuw ontstaan.
Het Marsdiep bestond reeds in de vroege middeleeuwen als een kuststroom
ten N. van Huisduinen, een vlakke zandplaat met duin. Tusschen
Schellinge en Ameland kwam de Boorn in zee.

De getijden die op onze kusten gaan veroorzaken een verschil tusschen
_dagelijksch of gewoon laag water_ (L.W.) en _dagelijksch of gewoon
hoog water_ (H.W.),—d. z. de gemiddelden van alle eb- en van alle
vloedstanden gedurende het laatste tienjarig tijdvak (nu 1900–1910)—,
dat aan de buitenzijde van Texel ongeveer 1,25 M. en aan de buitenzijde
van Ameland ongeveer 1,90 M. bedraagt. Stormvloeden kunnen echter het
water der Noordzee hier op de kust ver boven H.W. opzetten, tot ong.
3,50 + A.P., stormebben het laag onder L.W. doen dalen, tot ong. –2,50
A.P.

Achter de duinen in het noordelijk deel der tegenwoordige Zuiderzee
lagen uitgestrekte gronden, bestaande evenals de tegenwoordige
aangrenzende gewesten Noord-Holland en Friesland, uit klei rustend
op zand en, vooral meer zuidwaarts, ook op veen, dat op zijn beurt op
zand ligt. Bij elken vloed drong door de genoemde riviermonden het
water der zee naar binnen en overstroomde reeds lang vóór den tijd der
Romeinen—want deze kenden de „Wadden” reeds—het land ter weerszijden,
aanvankelijk niet ver, doch langzamerhand al verder en verder landwaarts
in, naarmate de bodem in 't algemeen een weinig daalde en de zeegaten
wijder werden: daardoor ontstond de kleilaag op het zand en het veen.
Door de voortdurende werking der stormvloeden bleven de zeegaten
aanhoudend in vermogen toenemen; de dagelijksche vloeden drongen
daardoor al dieper en dieper landwaarts in en op dezelfde punten tot
steeds grootere hoogte. De bewoners t. Z. van Wieringen en t. O. van
het Vlie moesten hun woonplaatsen op kunstmatig opgeworpen hoogten,
terpen of wierden terugtrekken en daarna ook hunne landen door dijken,
zeker reeds in de 8ste en 9de eeuw, tegen de binnendringende wateren
beschermen. Achter de duinen kwam toen zooveel beweging in het water
buiten die dijken, dat de lichte kleideeltjes daar niet konden blijven
liggen; deze werden weggeschuurd, alleen het onderliggende zand bleef
over, terwijl daarin en daarlangs steeds dieper wordende geulen werden
gevormd. Nu liggen die gronden, nagenoeg geheel uit zand en in de
beschermde hoeken hier en daar uit een stukje veen bestaande, er nog;
voor een groot gedeelte loopen zij nog bij elk laag water als de bekende
wad- of waardgronden droog.

Het aldus gevormde noordelijk gedeelte der Zuiderzee is dus in 't
algemeen nog zeer ondiep, maar doorsneden met eenige diepe geulen,
zooals het kaartje hierachter aanwijst; de diepste is de Texelstroom,
van uit het Marsdiep N.O. waarts gaande en waarin 15 tot 30 M. water
staat; ook de geul van het oude Vlie is nog, voor een groot gedeelte
onder den naam van Vliestroom, over.

De zuidelijke kom der Zuiderzee werd echter op geheel andere wijze
gevormd. Daar lag, zooals wij weten, eenmaal het groote meer Flevo
te midden van het laagveen dat de verbinding vormde tusschen dat van
Holland en Utrecht ter eene en van Friesland en Overijsel ter andere
zijde.

Evenals bij andere groote plassen geschiedt, breidde het zich door de
werking van den wind op de oppervlakte en afslag en verwijdering van het
veen langs zijn oevers al meer en meer uit, tot aan de hooge zandgronden
van het Gooi en de Veluwe, enz. en tot daar waar, zooals langs de
Hollandsche en een deel der Friesche en Overijselsche kusten, aan
verdere uitbreiding door den mensch, door middel van dijken en dammen,
paal en perk gesteld werd.

De zuidelijke kom werd dus als het ware door de natuur uitgeveend tot
op de onderliggende oude blauwe klei (katteklei), die ook in Holland en
Utrecht onder het veen ligt en er den bekenden vruchtbaren bodem der
droogmakerijen vormt.

Intusschen was het Vlie tusschen Enkhuizen en Stavoren, door de werking
der getijden van uit het Noorden, al meer en meer verruimd, de wateren
uit het noordelijk deel liepen samen met die van het zuidelijk en
drongen bij elk gewoon tij hierin door tot iets t. Z. van Urk, bij hooge
vloeden echter veel verder, en ruimden er mede de nog in het N.O. deel
der zuidelijke kom overgebleven brokken veen op. T. W. van Urk vindt men
den meest zuidelijken uitlooper der geulen van het noordelijk gedeelte,
het zoogenaamde „Val van Urk”, waarin ruim 5 M. water staat. Op deze
wijze werd het „Almere” der Middeleeuwen gevormd.

In deze zuidelijke kom, waar in 't algemeen veel meer rust in het water
heerscht dan in het noordelijk gedeelte, bezinken nu de kleideeltjes,
die het water op onze kusten steeds bevat, althans t. Z. van het
Enkhuizerzand en ook in den luwen N.O. hoek tegen Friesland en
Overijsel. Die kom heeft een van de kusten naar het midden gelijkmatig
dalenden bodem; uit de Z.- en O.kusten moet men ½ tot 1½ uur verwijderd
zijn, alvorens de lijn van 2 M. diepte te bereiken; het diepste gedeelte
is een strook tusschen Marken en Urk, die tot 4,5 M. diep is.

In de aldus gevormde Zuiderzee gaat dus ook eb en vloed. D. w. z.
_bij gewone getijen_ op de Noordzeekust (zonder harden wind) loopt
door de zeegaten het vloedwater naar binnen tot ongeveer de lijn
Enkhuizen–Ketelmond. Het water t. Z. daarvan wordt bij elken gewonen
vloed als 't ware iets teruggeduwd en bij eb iets losgelaten; er is
daar weinig verschil, 20 à 30 cM., tusschen L.W. en H.W. Men zou
ook kunnen zeggen: de zuidelijke kom verkeert dus eigenlijk in den
blijvenden toestand van hoogwater. Het verschil tusschen L.W. en H.W.,
dat bij den Helder nog 1,20 M. bedraagt, is te Medemblik nog slechts
0,65 M., aan de Oranjesluizen in het IJ 0,52 M., te Muiden 0,34 M. Te
Harlingen is dat verschil 1,31 M., te Stavoren 0,47 M., te Elburg 0,38
M., het minst langs de zuidkust van Friesland: 0,24 M. te Lemmer.

Maar als het stormt, vooral als de storm, zooals veelal bij ons te lande
uit het Z.W. begonnen, daarna W. geworden, waarbij veel water op onze
kust gejaagd is, eindelijk N.W. is gedraaid, dan worden ontzettende
massa's Noordzeewater binnen de Zuiderzee gejaagd, zoodat het water te
Harlingen tot 3 M. boven A.P., te Elburg tot 3,25 M. boven dat vlak kan
stijgen! Daar al het ingestroomde water door de betrekkelijke nauwe
zeegaten slechts langzaam kan wegloopen, zijn de hooge standen dan
veelal langdurig en hebben de dijken, vooral die waarop de wind staat,
zeer veel te verduren.

Maar ook als betrekkelijk weinig of geen Noordzeewater naar binnen is
gekomen, kunnen sommige kusten het erg te kwaad krijgen. De Zuiderzee is
nl. ondiep, zooals wij zagen, en in ondiepe groote waterplassen kan,
door de werking van den wind, het water sterk naar de een of andere
zijde worden gestuwd. Dit verschijnsel van op- en afwaaiing had o. a.
plaats bij den bekenden Z.W. Pinksterstorm van Mei 1860, toen het water
uit het Z.W. der Zuiderzee zoo laag afwoei, dat de bodem van het IJ vóór
Amsterdam droog lag, en tegelijk aan de N.O.kusten zoo hoog opwoei, dat
t. Z. van den IJselmond een stand van +2,17 A.P. bereikt werd, zoodat de
oppervlakte der Zuiderzee van het Z.W. naar het N.O. ruim 4 M. helde.
Toch was toen betrekkelijk weinig Noordzeewater binnen de Zuiderzee
(gem. stand +0,47 A.P.). Bij den Z.W. storm van 24 Jan, 1884, toen
de gemiddelde stand der Zuiderzee slechts +0,70 A.P. was, was er een
grootste hoogteverschil v.m. 5 uur tusschen de Oranjesluizen en
Blankenham van 4,60 M.

Bij oostelijke winden, die vooral in het voorjaar voorkomen, komen langs
de oostelijke kusten zeer lage ebbestanden voor; in 't algemeen bevat
bij zulken wind de Zuiderzee het minste water.

[Illustratie]




II. Geschiedkundig overzicht der plannen tot afsluiting en droogmaking.


[Kantlijn: Werk van V. DIGGELEN.]

In 1849 verscheen van de hand den Ingenieur van 's Rijks Waterstaat
B. P. G. VAN DIGGELEN te Zwolle zijn bekend werk over de afsluiting en
droogmaking der Zuiderzee[1]. De schrijver wilde de geheele Zuiderzee
met de Wadden en de Lauwerszee afsluiten en droogleggen, doch zóó, dat
een breede open verbinding overbleef tusschen het Marsdiep en het Vlie.
Het water van den IJsel zou door breede stroombanen langs de kusten van
de Zuiderzee naar de Noordzee worden geleid. Het werk bevat betrekkelijk
weinig omtrent techniek en uitvoering, maar zet vooral uiteen de groote
economische en andere voordeelen voor ons land, die naar schrijver's
meening van de uitvoering het gevolg zouden zijn.

[1] De Zuiderzee, de Friesche Wadden en de Lauwerszee, hare bedijking en
droogmaking, besch. door B. P. G. VAN DIGGELEN.—Zwolle 1849.

De groote aandacht die dit werk trok noopte de Regeering den Inspecteurs
van 's Rijks Waterstaat FERRAND en VAN DER KUN op te dragen daarover
een rapport uit te brengen. Dit is 3 Nov. 1849 uitgebracht, maar eerst
in 1867 bekend geworden. Het adviseerde om eene Staatscommissie te
benoemen, die zou bepalen of het plan wenschelijk was,—daarna aan den
Ingenieur VAN DIGGELEN het maken van een ontwerp op te dragen.

Op initiatief van het 1e en 2e Dijksdistrict van Overijsel werd in 1864
een request van waterschapsbesturen aan de Regeering gericht om de
afsluiting en droogmaking ter hand te nemen.

[Kantlijn: Plan BEIJERINCK.]

In 1865 vestigde de Minister ROCHUSSEN de aandacht van de Maatschappij
van Grondcrediet op de Zuiderzeezaak. Deze deed daarop maken een ontwerp
tot droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee door den
Inspecteur van 's Rijks Waterstaat J. A. BEIJERINCK, dat spoedig gereed
was[2]. Dit stelde voor een afsluiting door een dijk van Enkhuizen over
Urk naar een punt t. Z. van den Ketelmond (IJsel) en droogmaking van de
geheele oppervlakte daarbinnen.

[2] Droogmaking van het Zuidelijk gedeelte der Zuiderzee. Verzameling v.
officieele bescheiden, uitg. d. d. Mij. van Grondcrediet. 's-Grav.
1868.

Daarop werd 28 Aug. 1866 een Raad v. Waterstaat ingesteld, die had
te onderzoeken of 1º de uitvoering naar de hoofdtrekken van dat
plan mogelijk was; 2º of de uitvoering aan particulieren kon worden
overgelaten, dan wel of uitvoering van Staatswege aan te raden was. De
Raad, hoewel hij veel technische bezwaren had, nam de mogelijkheid der
droogmaking aan; zeide dat geen geldelijk voordeel daarmee te behalen
was, geloofde dat de noodzakelijkheid voor de uitvoering niet bestond en
raadde daarom aan den Staat de onderneming af.

[Kantlijn: Gewijzigd plan BEIJERINCK.]

De Maatschappij van Grondcrediet, die zich met deze uitspraak niet
vereenigen kon, werd vervangen door een Comité ROCHUSSEN-BOSCH-VAN
RANDWIJCK. Dit deed een gewijzigd plan BEIJERINCK opmaken in overleg
met zijn technischen adviseur, den ingenieur T. J. STIELTJES.

Er volgde toen 4 Mei 1870 de benoeming van een Staatscommissie ter
beoordeeling van het ontwerp voor het indijken, enz. van het Zuidelijk
gedeelte der Zuiderzee. Deze vond de zaak als onderneming niet
winstgevend en medewerking van den Staat noodzakelijk[3].

[3] Verslag der Staatscommissie ter beoordeeling, enz. Leiden 1873.

Het Comité vroeg toen aan de Regeering een subsidie van ƒ250.- per H.A.,
doch _ontving_ eerst in 1873 antwoord met de mededeeling, dat het werk
beter door den Staat zelven kon worden uitgevoerd.

[Kantlijn: Regeeringsontwerp 1877.]

In de Troonrede van 1874 werd een plan tot droogmaking van het zuidelijk
deel der Zuiderzee in het vooruitzicht gesteld. Bij de Wet van 5 Juni
1875 werden ƒ8000 voor eenige onderzoekingen, boringen, enz. op de
Staatsbegrooting uitgetrokken en 18 April 1877 werd door het Ministerie
HEEMSKERK het eerste wetsontwerp aangeboden „betreffende de bedijking en
droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee en het maken van
een waterweg van Amsterdam naar de rivier de Waal”.

De afsluitdijk was nog meer zuidelijk ontworpen dan in het ontwerp
BEIJERINCK, nl. van Blokkershoek t. Z. van het Enkhuizerzand om, naar
hetzelfde punt t. Z. van den Ketelmond.

De oppervlakte der droog te maken gronden was 157000 HA., waarvan 144000
HA. klei. Raming van kosten 116 millioen gulden zonder de intresten.

Het zuidelijker plaatsen van den afsluitdijk geschiedde om een groote
oppervlakte zand, die men als bouwgrond van weinig of geen waarde
beschouwde, buiten te sluiten,—en ter andere om den dijk op klei te
kunnen leggen en niet op zand, daar in dit laatste geval volgens Prof.
HARTING zooveel kwelwater onder den dijk door naar binnen zou dringen,
dat een voldoende afsluiting niet mogelijk zou zijn, iets wat door
STIELTJES bestreden werd. Over deze kwestie volgt hieronder nog een
enkel woord.

Toen in November van hetzelfde jaar het Ministerie HEEMSKERK was
afgetreden en vervangen door een Ministerie KAPPEIJNE, was een der
eerste daden van het nieuwe Ministerie een intrekking van dit
Regeeringsontwerp.

Geruimen tijd werd toen niets meer van de Zuiderzeezaak
vernomen, behalve uit geschriften die, evenals vóór dien tijd,
nu en dan daarover verschenen. Als merkwaardig is daarvan te
noemen dat van Jhr. P. OPPERDOES ALEWIJN[4], omdat het voor 't
eerst voorstelde een noordelijker afsluiting met behoud van een
groot wateroppervlak daarbinnen,—welke eenvoudige oplossing tot
voorloopige berging van groote massa's IJselwater bij hooge
rivierstanden, zooals wij zien zullen, gevolgd is in het plan der
Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie, dat als het meest gewenschte is
te beschouwen.

[4] Eenige bemerkingen betreffende de zoo gewichtige aangelegenheid der
indijking en inpoldering van een gedeelte der Zuiderzee in verb. m.
d. richting v. d. N.-Holl.–Frieschen spoorweg tusschen Amsterdam en
Leeuwarden.—Amst. 1873.

* * * * *

In het jaar 1884 diende de afgevaardigde ter Tweede Kamer A. BUMA een
wetsontwerp in, luidende: „Er zal een onderzoek worden ingesteld naar

_a._ het dichten der zeegaten en het vormen van een zoetwatermeer,

_b._ het droogleggen of kanaliseeren daarvan van Staatswege of door
particulieren.”

Dit wetsontwerp werd echter weldra door den voorsteller ingetrokken,
toen hij zag dat het geen kans had om te worden aangenomen, evenals een
daarna door hem ingediende motie van gelijke strekking.

Spoedig daarna echter brak het tijdperk aan in de geschiedenis der
Zuiderzeezaak, waarin deze met ruimer blik werd bezien en de uitvoering
van het groote werk, dat reeds zoo lang velen had beziggehouden, op
degelijke wijze werd voorbereid. Toen is het standpunt ingenomen, waarop
zij zich nu reeds geruimen tijd bevindt en van waar men meent nu tot de
uitvoering- te kunnen overgaan.

[Kantlijn: Circulaire BUMA en VAN DIGGELEN.]

In 1885 stelden nl. de Heeren A. BUMA en Mr. P. J. G. VAN DIGGELEN,
Lid der Prov. Staten van Overijsel, na bespreking met eenige leden der
Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en der Provinciale Staten,
hunne bekende circulaire op en zonden die in Augustus van dat jaar aan
besturen van Provinciën, gemeenten, waterschappen, handelslichamen en
landbouwmaatschappijen, die bij het tot stand komen van een afsluiting
en droogmaking het meest belang hadden.

Onder hen door wier samenspreking dit stuk was samengesteld waren geen
technici en daardoor waarschijnlijk ging zij van de grondgedachte
uit, dat de zeegaten moesten worden afgesloten (waaronder het Zeegat
van Texel, waarin 30 à 40 M. water staat), „ter opheffing van het
Zuiderzeegevaar dat meer en meer zorgwekkend voor Nederland wordt” en
dan zoo na mogelijk de geheele Zuiderzee, de Friesche Wadden en de
Lauwerszee te bedijken en droog te maken, enz.

Daarom betoogden de schrijvers dat het niet in de allereerste plaats op
de drooglegging maar op de afsluiting aankwam en dat de uitvoering van
het Regeeringsontwerp van 1877, dat zich bepaalde tot het afsluiten van
het _zuidelijk_ deel alleen, een groote misgreep zou geweest zijn. Maar
zij meenden ook—en dit is het begin geweest van een beter oordeel over
alles wat met de Zuiderzeezaak in verband staat en van een beteren
grondslag waarop een plan van afsluiting en droogmaking kon worden
gebouwd—, dat er nog zeer veel gegevens ontbraken en dat o. a. nog
beantwoord moest worden welke gevolgen een afsluiting en droogmaking
zou hebben voor de waterkeeringen, voor de afwatering der aangrenzende
gewesten, voor handel-, scheepvaart- en nijverheidsbelangen. En, hoewel
niet in 't bijzonder genoemd, men zou dan ook moeten kennen den bodem,
niet alleen in het zuidelijk deel, maar ook in andere deelen der
Zuiderzee, men zou moeten weten op welke wijze bij een afsluiting t. N.
van de monden van den IJsel, het water van deze rivier zou moeten worden
afgevoerd, enz. enz.

Betuiging van instemming en medewerking werd verzocht van genoemde
besturen om te komen tot een grondig onderzoek.

[Kantlijn: Oprichting Zuiderzee-Vereeniging.]

Als gevolg hiervan werd het volgend jaar op een bijeenkomst van
afgevaardigden uit die besturen en van enkele particulieren de
~Zuiderzee-Vereeniging~ opgericht, van welker statuten Art. 2 luidde:

„Het doel der Vereeniging is het doen instellen van een volledig en
grondig (technisch en financieel) onderzoek of, en zoo ja, naar de wijze
waarop en de middelen waardoor eene afsluiting (mede ter voorbereiding
eener later geleidelijke drooglegging) van de geheele Zuiderzee, de
Wadden en de Lauwerszee wenschelijk en uitvoerbaar is.”

Dit zeker niet fraai gesteld artikel werd aldus toegelicht: „Hoofddoel
is alzoo: het onderzoek naar een betere beveiliging van Nederland tegen
het zeegevaar door opheffing der vrije gemeenschap tusschen de Noord- en
de Zuiderzee”.

Men hield dus vast aan het denkbeeld, dat een gestadige verruiming der
zeegaten een steeds grooter wordend gevaar voor de kusten der Zuiderzee
meebracht. Maar van zulk een verruiming in de laatste eeuwen was geen
sprake[5]. En reeds het begin van het onderzoek toonde aan, dat een
dichting der zeegaten, vooral van het Marsdiep en het Vlie een sprong in
het duister zou zijn die men niet wagen mocht.

[5] Zie de Notulen v. d. vergadering van 9 Juni 1887 v. h. Kon.
Instituut v. Ingenieurs. Voordracht van het lid VAN KERCKHOFF.

Maar de noodzakelijkheid van een onderzoek van al de hierboven genoemde
punten en nog veel meer bleef toch bestaan.

De Zuiderzee-Vereeniging, 28 Apr. 1886 geconstitueerd, verkreeg 16 Aug.
d. a. v. de Kon. goedkeuring. Het Dagelijksch Bestuur werd samengesteld
uit de Heeren BUMA, voorzitter, VAN DIGGELEN, onder-voorzitter,
WERTHEIM, penningmeester en VAN DER HOUVEN VAN OORDT, secretaris. De
Vereeniging stelde in haar dienst de ingenieurs VAN DER TOORN en LELY.
Eerstgenoemde verzocht en verkreeg spoedig daarna ontslag en het
technisch onderzoek werd sedert geheel geleid door den ingenieur
C. LELY, den tegenwoordigen Minister van Waterstaat.

[Kantlijn: Nota's der Zuiderzee-Vereeniging.]

Als uitkomsten van het onderzoek zijn 1887–Maart 1892 achtereenvolgens
verschenen 8 ~technische nota's~, met tal van berekeningen, graphische
voorstellingen, platen en kaarten[6].

[6] Deze nota's, als alle werken van de Zuiderzee-Vereeniging verschenen
en verkrijgbaar bij de Firma voorh. E. J. BRILL te Leiden, dragen
alle den titel: „Onderzoek omtrent de afsluiting en droogmaking van
de Zuiderzee, de Wadden en de Lauwerzee” en—behalve de 6e en 8e
Nota—„De afsluiting Noord-Holland–Wieringen–Friesland en de
droogmaking van het gedeelte der Zuiderzee binnen die afsluiting”.
Zij zijn:

1e Nota. Beschouwingen over verschillende wijzen van afsluiting
van de geheele Zuiderzee en over de insluiting van den IJsel.

2e Nota. De invloed der afsluiting op de waterkeering der
provinciën langs de Zuiderzee.

3e Nota. De invloed der afsluiting op de waterloozing der
provinciën langs de Zuiderzee.

4e Nota. De invloed der afsluiting op de waterverversching der
provinciën langs de Zuiderzee.

De invloed der afsluiting op de scheepvaart der Zuiderzee.

5e Nota. De constructie en de kosten van den afsluitdijk, de
sluizen en de bijkomende werken.

M. e. Bijlage v. Dr. P. P. C. Hoek. De invloed der afsluiting
en droogmaking op de visscherij in de Zuiderzee.

6e Nota. Resultaten der terreinwerkzaamheden verricht in 1889 en
1890.—1. Grondboringen, 2. Stroommetingen, 3. Diverse
metingen.

7e Nota. Geologische toestand en algemeen plan van indijking.

Schetsontwerp ter indijking en droogmaking (na de afsluiting)
van het Wieringermeer.

Id. van het zuidoostelijk gedeelte der Zuiderzee.

Id. van het zuidwestelijk gedeelte der Zuiderzee.

Id. van het noordoostelijk gedeelte der Zuiderzee.

Tijd van uitvoering en kosten van het geheele ontwerp tot
afsluiting der Zuiderzee over Wieringen met de indijkingen
binnen de afsluiting.

8e Nota. Vergelijking van verschillende ontwerpen ter afsluiting
en droogmaking van de Zuiderzee met o. a. een Bijlage:
Schetsontwerp ter partieele indijking en droogmaking der
Zuiderzee zonder afsluiting.

In de 7e Nota gaf de Zuiderzee-Vereeniging zelve een bepaald plan van
afsluiting en droogmaking. Dit plan is opgemaakt in verband met de
uitkomsten van het bodemonderzoek.

Tegelijk met de laatste nota 4 Maart 1892 verscheen ook: »Oeconomische
en finantieele beschouwingen van het Dagelijksch Bestuur naar aanleiding
der resultaten van het technisch onderzoek, vervat in de 8 nota's.”
Later, Apr. 1898, verscheen het uitgebreider werk van H. C. VAN DER
HOUVEN VAN OORDT en Mr. G. VISSERING, »De Oeconomische beteekenis van
de afsluiting en drooglegging der Zuiderzee”, waarvan in Juni 1901 een
tweede druk bezorgd werd.

[Kantlijn: Benoeming Staatscommissie 1892.]

Spoedig nadat de laatste der nota's het licht had gezien, nl. 8 Sept.
1892, werd een Staatscommissie benoemd van 30 leden, deskundigen op
de verschillende gebieden waarover de afsluiting en droogmaking zich
uitstrekken, waaraan de beantwoording werd opgedragen van de vragen:

of eene afsluiting en eene droogmaking der Zuiderzee op een wijze als
door de Zuiderzee-Vereeniging is voorgesteld, in 's Lands belang behoort
te worden ondernomen, en zoo ja,

op welke wijze dit werk tot uitvoering moet worden gebracht.

[Kantlijn: Verslag Staatscommissie 1894.]

Reeds 14 Apr. 1894 werd door de Commissie haar rapport uitgebracht. De
1e vraag werd bevestigend beantwoord door 21 van de 27 leden;—de 6
leden die in ontkennenden zin antwoordden, grondden in hoofdzaak hun
bezwaren op de groote finantieele verplichtingen, die het uitvoeren der
geheele onderneming zal met zich brengen en op de onzekerheid van hare
oeconomische uitkomsten.

De tweede vraag werd door alle leden beantwoord: door den Staat, op den
voet in dit verslag vermeld.

De Staatscommissie kon zich in 't algemeen wel met het plan der
Zuiderzee-Vereeniging vereenigen. Omtrent enkele punten verschilde
zij met deze van inzicht of stelde zij wijzigingen voor in de
uitvoering,—dit laatste vooral ten aanzien van de grootte en den vorm
der droogmakerijen. De belangrijkste afwijkingen zullen hierna bij de
beschrijving der onderdeelen worden meegedeeld.

* * * * *

[Kantlijn: Regeeringsontwerp 1901.]

7 Mei 1901. Tweede Regeeringsontwerp (Min. C. LELY),—tot afsluiting der
Zuiderzee en droogmaking van de Wieringermeer en den Z.W. Polder. (Naar
het plan der Staatscommissie).—Na aftreden van dit Ministerie
ingetrokken.

[Kantlijn: Regeeringsontwerp 1907.]

4 Nov. 1907. Derde Regeeringsontwerp (Min. J. KRAUS), voor den aanleg
van een gedeelte van de afsluiting der Zuiderzee en indijking en
droogmaking van de Wieringermeer. (Naar het plan der Staatscommissie,
maar verkleind met het Z.O. diepste gedeelte; verkoopbare klei- en
zavelgronden 16 500 HA.). Ingetrokken door een in 1913 opgetreden
Ministerie bij Brief van 11 Sept. 1913.

[Kantlijn: Regeeringsontwerp 1916.]

6 Sept. 1916. Vierde Regeeringsontwerp (Min. C. LELY), tot afsluiting en
droogmaking der Zuiderzee, waarbij bepaald wordt dat de afsluitdijk en
de beide westelijke gedeelten eerst zullen worden uitgevoerd en de beide
oostelijke zullen worden voorbereid in een geraamden tijd van 15 jaar,
terwijl met deze laatstgenoemde gedeelten aangevangen zal worden op een
nader bij de wet te bepalen tijdstip.

[Illustratie]




III. Plan van afsluiting en droogmaking der
Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie.


[Kantlijn: Beschrijving.]

Dit plan is in groote trekken het volgende.

Er wordt een ~afsluitdijk~ gemaakt van Van Ewijksluis
(Anna-Paulownapolder) aan de Noord-Hollandsche kust tot Wieringen en van
de N.O. punt van dit eiland N.O. waarts tot bij het dorpje Piaam aan de
Friesche kust.

Deze plaats werd als de meest geschikte gekozen met het oog op lengte,
diepte van de te snijden geulen en grootte van de oppervlakte
daarbinnen.

De voorgestelde dijk snijdt tusschen het vasteland en Wieringen de geul
van het Amsteldiep, die hier een grootste diepte van 11 M. beneden L.W.
heeft. Tusschen Wieringen en Friesland is de gemiddelde diepte 3,60 M.;
de diepste geul die hier gesneden wordt is die van de Vlieter, die ruim
6.5 M. beneden L.W. diep is.

De lengte van de beide deelen samen bedraagt 29300 M. De hoogte van de
kruin zal van +5,20 A.P. bij Wieringen oploopen tot +5,60 A.P. bij de
aansluiting aan den Frieschen zeedijk.

De voet van den afsluitdijk (zie het dwarsprofiel) steunt aan de
buitenzijde tegen een rijzen dam, opgewerkt tot laag water, met steen
bestort. Die dam wordt gelegd op een rijzen grondstuk van voldoende
breedte om bij overstorting van water tegen ontgronding te beschermen.
Binnen tegen den dam wordt het lichaam van den dijk opgewerkt van
grond, afkomstig uit het hierna te noemen kanaal door Wieringen of—wat
wel eenvoudiger en goedkooper zal zijn—van grond daar ter plaatse uit
den Zuiderzeebodem genomen. Aan de binnenzijde wordt daartegenaan
gebracht een breede berm, dragende een rijweg en een spoorweg voor
dubbel spoor. De geheele aanleg wordt daar ongeveer 90 M. op de diepte
van –4,40 A.P.

[Illustratie: ALGEMEEN DWARSPROFIEL VAN DEN AFSLUITDIJK (Schaal 1:500.)]

In verband met de aangenomen hoogte van den afsluitdijk zullen
de aansluitende dijken op Wieringen, de Balgdijk langs den
Anna-Paulownapolder en de Friesche zeedijk tot Zurig worden verhoogd.

Wat de ~wijze van uitvoering~ van dezen dijk betreft, men stelt zich
voor eerst op het midden van het Breezand tusschen Wieringen en Piaam
een eiland te maken van rijswerk en steen en dan van hieruit en van
de kusten van Wieringen en Friesland uit den dijk op te werken. Daar
de getijen het water hier in en uit het af te sluiten gedeelte der
Zuiderzee doen stroomen, zouden in de aldus steeds nauwer wordende
openingen tusschen de afgewerkte dijksgedeelten grooter en grooter
wordende snelheden ontstaan, die den bodem dermate zouden aantasten
dat die openingen niet te dichten zouden zijn. Daarom laat men ter
weerszijden van het eiland twee „sluitgaten”, elk lang 8250 M.
overblijven, die op den bodem van een rijzen grondstuk worden voorzien
tegen ontgronding. In de 5e Nota der Zuiderzee-Vereeniging wordt
voorgesteld in die sluitgaten dan eerst met horizontale lagen een rijzen
dam tot de hoogte van L.W. aan te brengen; de snelheden waarmee het
water, dat bij stormvloeden over dien dam stort, den bodem bereikt, zijn
niet zoo groot, dat daardoor belangrijke verdieping te vreezen is, als
die bodem met grondstukken is bekleed. Daarop en daartegen wordt dan het
lichaam van den dijk opgetrokken, ook met horizontale lagen, doorgaande
over de geheele lengte.

Deze bijzonderheden der uitvoering worden hier alleen meegedeeld om te
doen zien, dat aan het werk van den afsluitdijk risico's verbonden zijn,
wat tijd van uitvoering en kosten betreft,—veel zal van de
weersgesteldheid afhangen.

Maar, zooals wij zien zullen, kunnen die risico's met het oog op de
indirecte voordeelen die de afsluitdijk meebrengt, zeer goed worden
geleden.

Binnen den afsluitdijk zullen vier oppervlakten worden drooggemaakt, in
het Verslag der Staatscommissie minder juist „polders” genaamd.

De ~Noordwestelijke Droogmakerij~ (Wieringermeer), gr.
21.700 HA., na aftrek van dijken, wegen, water, enz.
21.200 HA., waarvan klei- en zavelgronden 18.700 HA.

De ~Zuidwestelijke Droogmakerij~ (Hoornsche Hop), gr.
31.520 HA., na aftrek van dijken, enz. 30.800 HA.,
waarvan klei- en zavelgronden 27.820 HA.

De ~Zuidoostelijke Droogmakerij~, gr. 107.760 HA., na
aftrek van dijken, enz. 105.500 HA., waarvan klei- en
zavelgronden 98.990 HA.

De ~Noordoostelijke Droogmakerij~, gr. 50.850 HA., na
aftrek van dijken, enz. 49.700 HA., waarvan klei- en
zavelgronden 48.900 HA.

De geheele drooggemaakte oppervlakte is groot 211830 HA., na aftrek van
dijken, wegen, water, enz. 207200 HA., waarvan klei- en zavelgronden
194.410 HA.

De veranderingen in vorm en grootte aan de door de Zuiderzee-Vereeniging
voorgestelde droogmakerijen aangebracht betroffen in de eerste plaats de
verbreeding van den waterweg tusschen de Z.W. en de Z.O. droogmakerijen
van 1500 tot 5000 M. met het oog op de militaire verdediging; voorts
verkleining van de Z.W. Droogmakerij aan de N. zijde en van Z.O.
Droogmakerij aan den Z.W. hoek bij Muiderberg met stukken waar zand aan
de oppervlakte ligt; en eindelijk vergrooting van de N.O. Droogmakerij
aan de N. zijde met den langen nauw toeloopenden inham naar de Lemmer,
waarin men voor de scheepvaart te sterke opwaaiing vreesde, en
vermindering met een gedeelte aan de Z.O. zijde met het oog op
uitwateringsbelangen en de vaart op het Zwolsche Diep.

De ~meerdijken~, waarmee de vier droogmakerijen worden afgesloten zijn
van verschillende hoogte, +2,5 tot +3,50 A.P., al naar zij blootgesteld
zijn aan de meest voorkomende stormvloeden.

De bodem der droogmakerijen is ongelijk van diepte en daalt in 't
algemeen geleidelijk van de kust naar buiten (Zie het Kaartje). De
droogmakerijen moesten daarom in ~polders~ (door de Staatscommissie
„polderafdeelingen” genoemd) met verschillende peilen, nl. van het
polderwater in de kanalen, tochten en slooten, worden verdeeld.
Daarbij is aangenomen, dat de klink (ineenzakken) van deze gronden,
die, als bestaande uit 1 à 2 M. klei op vasten, lang onder druk
geweest zijnden zandbodem, waarschijnlijk slechts 0,5 tot 0,65 zal
bedragen,—voorzichtigheidshalve op 1 M. moet worden gesteld en dat de
polderpeilen 1 M. beneden de laagste terreinen zullen genomen worden.
Deze peilen zijn op het Kaartje aangeduid.

Elk der polders zal een eigen bemaling krijgen.

Rekenende op de normale sterkte van 12 P.K. p. 1000 HA. per 1 M.
opvoerhoogte, bovendien ? daarvan voor reserve, opmaling tot A.P.,
nl. 40 cM. boven het normale peil van het overblijvend afgesloten meer,
en 25 cM. neerslag (daling van het polderwater) bij de gemalen, dan
zal volgens het plan het gezamenlijk vermogen der stoomwerktuigen tot
drooghouding, en waarmee ook de droogmaking geschiedt, 16.930 P.K.
bedragen. Bij een uitvoering zal dit nog wel iets grooter genomen
worden, daar men voor bouwland in den laatsten tijd nog lager peilen
verlangt dan 20 jaar geleden—liefst met droge slootbodems.

De polders worden gescheiden door kaden, waarin schutsluizen op de
snijpunten met de kanalen die in de droogmakerijen worden aangelegd.
Daardoor is het mogelijk om eerst de ondiepste af te malen en te
verkavelen (met tochten, slooten en wegen doorsnijden), daarna de
volgende, enz. Op die wijze blijven groote oppervlakten niet lang dras
liggen, wat zeer schadelijk zou zijn voor de gezondheid, ook in de
aangrenzende oude landen.

Na de droogmaking blijft binnen den afsluitdijk een waterplas over,
groot 145.000 HA., die reeds in het ontwerp van de Zuiderzee-Vereeniging
zeer juist met den naam van „~IJselmeer~” werd aangeduid,—niet alleen
omdat daarin de IJsel uitloopt, maar ook omdat daardoor de oplossing
gevonden is van een afsluiting met binnendijking van den IJselmond.

Is dat meer nl. groot genoeg, dan zal het ook bij geheel beletten afvoer
en buitengewonen aanvoer van water niet zoo hoog kunnen stijgen, dat
daardoor gevaar voor de aangrenzende landen ontstaat.

Berekend is, dat zoo de uitwateringssluizen van dat meer gedurende
3 etmalen achtereen gesloten moesten blijven wegens hooge
buitenwaterstanden en bij een buitengewonen toevoer van den IJsel bij
uiterst hooge standen en doorbraken van Rijndijken op den rechteroever
in Duitschland en van de kleinere rivieren en boezems afwaterend op het
IJselmeer, samen 4800 M³ in de seconde, dit meer slechts ongeveer 1 M.
zou kunnen stijgen, dus bij een samenloop van omstandigheden zooals zich
zelden of nooit zal voordoen.

De plaats van de vier droogmakerijen en van het IJselmeer zijn zoo
gekozen, dat de vruchtbare klei- en zavelgronden grootendeels binnen
de eerste vallen, de zandgronden met de diepere geulen t. Z. van den
afsluitdijk den bodem van het IJselmeer vormen, zooals op het Kaartje te
zien is.

Voor de afwatering en de scheepvaart wordt een peil van –0,40 A.P. op
het IJselmeer noodig en wenschelijk geacht. 's Zomers kan in gewone
omstandigheden, vooral om de waterverversching uit het meer, dit peil
zonder bezwaar tot –0,20 A.P. worden verhoogd.

Daarnaar is dan ook het vermogen der uitwateringssluizen berekend.
Voorgesteld wordt een zeer wijd kanaal door de oostpunt van Wieringen
te maken, breed 1000 M. bij de daarin te maken sluizen, 1200 M. aan de
buitenzijde in de dieptelijn van 5 M. tusschen de koppen der dammen en
aan de binnenzijde 1500 M. bij de aansluiting aan het IJselmeer. Daarin
zullen worden gemaakt 30 uitwateringssluizen, elk 10 M. wijd en met de
slagdrempels 4 M. beneden het IJselmeerpeil. Daarnaast komen een groote
en een kleine schutsluis.

Het spreekt echter van zelf, dat genoemd peil van –0,40 A.P. niet
altijd juist kan worden gehandhaafd, daar de standen afhankelijk zijn
van den aanvoer op het meer, voornamelijk van den IJsel, en van de
buitenwaterstanden bij Wieringen waarop geloosd moet worden. Nagegaan is
dat in zeer ongunstige omstandigheden de stand slechts zelden en weinig
boven A.P. zal kunnen stijgen. Maar door den wind kan het water naar
een of andere zijde worden gejaagd, zoodat tijdelijk hoogere en lagere
standen kunnen voorkomen. De op- en afwaaiingen zullen echter veel
geringer zijn dan nu in de open Zuiderzee, ten eerste omdat het meer
kleiner is, ten andere omdat het IJselmeer uit het diepste gedeelte van
de afgesloten kom bestaat.

Door de hier geschetste werken van afsluiting en droogmaking zouden
afwatering en scheepvaart worden belemmerd en hier en daar geheel belet.
Daarom worden nog de volgende werken voorgesteld.

Voor de vaart op Harlingen zal binnen langs den zeedijk ~tusschen Piaam
en Harlingen~ een ~kanaal~ worden gegraven, gedeeltelijk door verruiming
van de bestaande dijkvaart, terwijl de uitkomende grond dienen kan voor
de genoemde verhooging van den zeedijk. Bij Piaam zal een haven worden
aangelegd en een schutsluis ter verbinding van het kanaal met het
IJselmeer.

In de Zuiderzee t. O. van Schokland, waar de scheepvaart naar en van
den mond van het Zwolsche Diep zeer druk is, is nu dikwijls te weinig
diepte, vooral bij oostelijke winden. De schepen wachten dan op hoog
water en nemen zoo noodig niet den gewonen weg t. Z. en t. O., maar
t. W. en t. N. van Schokland om, die iets dieper is of, als ook het
Zwolsche Diep door den lagen waterstand onbevaarbaar is, langs den IJsel
over het Katerveer door de Willemsvaart naar Zwolle. Ten deele hangt de
vaart hier dus niet van den L.W.- maar van den H.W.stand af, zoodat na
de afsluiting de vaardiepte hier nu en dan onvoldoende zou zijn. Daarom
wordt in het plan het ~Zwolsche Diep verlengd~ tusschen twee leidammen
door tot de lijn van 2.5 M. diepte t. Z. van Schokland en wel in gebogen
vorm, waardoor de vaarweg beter bezeilbaar wordt.

Om de Lemmer met zijn drukke scheepvaart, gelegen aan den g
-

Even een vraagje.   ( 912)
Ton (Papendrecht) -- 21-08-2012 12:33
  Jaaa, maximaal twee keer de helft 😀  
Wim (Oudewater) -- 21-08-2012 12:41
Lach er maar om.   ( 633)
Ton (Papendrecht) -- 21-08-2012 12:52
Re : Lach er maar om.   ( 506)
Waldo (Arnhem) -- 21-08-2012 12:54
Re : Lach er maar om.   ( 436)
Willem (Groningen) -- 21-08-2012 12:54
Re : Lach er maar om.   ( 313)
Ton (Papendrecht) -- 21-08-2012 13:09
Re : Lach er maar om.   ( 289)
Waldo (Arnhem) -- 21-08-2012 13:10
Re : Lach er maar om.   ( 233)
Willem (Groningen) -- 21-08-2012 13:17
Re : Lach er maar om.   ( 252)
Ton (Papendrecht) -- 21-08-2012 13:19
  martelwerktuig 😀  
Yorick (Hilversum) -- 21-08-2012 13:54
klembord ?   ( 145)
Oud-Gebruiker <ID-1912> -- 21-08-2012 14:19
Re : Lach er maar om.   ( 190)
Cees-Rotterdam -- 21-08-2012 13:54
Bedankt.   ( 114)
Ton (Papendrecht) -- 21-08-2012 14:19
jaa, maximaal 4 keer een kwart   ( 283)
Waldo (Arnhem) -- 21-08-2012 12:53
Dat gaan we even testen ...   ( 479)
Tom (Nijmegen) -- 21-08-2012 13:23
Re : Dat gaan we even testen ...   ( 285)
Ton (Papendrecht) -- 21-08-2012 13:26
Conclusie: er lijkt inderdaad een maximale lengte te zijn.   ( 326)
Tom (Nijmegen) -- 21-08-2012 13:27
Re : Conclusie: er lijkt inderdaad een maximale lengte te zijn.   ( 241)
Ton (Papendrecht) -- 21-08-2012 13:39
Re : Conclusie: er lijkt inderdaad een maximale lengte te zijn.   ( 185)
Peter (Mariakerke bij Gent) ( 7m) -- 21-08-2012 13:54
En voor de zekerheid drie keer verzenden   ( 150)
Tom (Nijmegen) -- 21-08-2012 13:58
Re : haha, was weer vergeten hoe het moet op de trein   ( 132)
Peter (Mariakerke bij Gent) ( 7m) -- 21-08-2012 14:03
Kan hier wat aan gedaan worden? Dus dat WW tekst onthoud ...   ( 78)
Hans (Diemen) ( -1m) -- 21-08-2012 19:23