Paaseieren op het ijs
Vorst komt met Pasen niet vaak voor: sinds 1901 begon eerste Paasdag in De Bilt veertien keer met vorst. De meest winterse Paasdagen ooit, dat wil zeggen in zeker drie eeuwen, beleefde ons land in de recordkoude
maart 1845. Vooral de eerste helft van die maand was ijzig koud met temperaturen van 10 tot 20 graden onder nul een soms snijdend koude oostenwind.
Weerhistoricus Jan Buisman: "enkele Haarlemse burgers beginnen zich af te vragen of een lang gekoesterde wens nu eindelijk in vervulling kan gaan: zij willen Paaseieren op het ijs eten! Op
31 maart 1771 is het gelukt en in
1845 is het al op
23 maart Pasen. Maar kort na medio maart stijgen de thermometers tot aan het nulpunt en rond de 19e gaat het overdag dooien. Op de 22e, daags voor Pasen, zet regen een laag water op de dikke ijslaag. Het feest moet doorgaan, een advertentie kondigt aan dat op 23 maart 'C. Wijs beste eieren zal verkopen op het ijs'. Op de Buiten-Amstel zet men een versierde en verwarmde tent en talrijke Nederlanders kunnen werkelijk op Paasmorgen bij kil miezerig weer hun eitjes op het ijs nuttigen. Hetzelfde gebeurde in de Zaanstreek, in Nijmegen, Dordrecht en op andere plaatsen".
Zover bekend zijn de Paasdagen van 1771 en 1845 de enige met ijs op de Hollandse waterwegen. Maart 1845 was de grootste uitzondering: alle rivieren in ons land waren bevroren. Paarden met karren en sleden baanden een weg over het ijs.
bron: knmi
Quote selectie