Zodra de herfstkleuren in beeld komen laten de wintervoorspellers van zich horen. Dit zou maar zo een van de nieuwste gezegden kunnen worden in de wereld van de weerkunde. Nu de dagen korten en het buiten aanmerkelijk frisser is, wordt al weer door menig weeramateur de vraag gesteld: "wat zal de winter gaan brengen?". We kennen allemaal de zogenaamd wijze spreuken van winterkou na een zachte oktober, of zelfs een hete augustus met ten gevolge een wit winterkleed. Dan zijn er nog de voorspellers die zich baseren op de zogenaamde stand der planeten, de elfjarige zonnevlekkencyclus, de levende natuur en zelfs de cycli van even en oneven jaren.
De Duitse meteoroloog Franz Baur (geen verre familie van) uit de jaren vijftig heeft er bijna zijn roeping van gemaakt om velerlei weerregels nieuw in te blazen of te ontkrachten door ze te toetsen. Onder het genot van zijn collega's richtte hij een waar slagveld aan onder de bekende weerregels. Van ruim 150 gezegden en regels hield hij er ten slotte nog zo'n 10 over. Naast deze roemruchtige queeste had hij als professionele taak het wetenschappelijk benaderen van de seizoensverwachting. Terwijl hij aan de ene kant, in zijn privé-leven, vele tientallen comfortregels naar de prullenbak verwees, trachtte hij op zijn werk een eigen methode te ontwikkelen om de toekomst te ontrafelen. Hij wordt hierom nog altijd de grondlegger van de grote weerkunde en de lange-termijn weersverwachting genoemd. In het begin van de Tweede Wereldoorlog is hij zelfs nog enige tijd directeur geweest van de Rijksweerdienst (tegenwoordig de Deutsche WetterDienst of DWD). Ongetwijfeld tot de spijt van vele weeramateurs stierf hij reeds in 1977, dus hij zal ons niet meer kunnen inlichten, en wellicht ontnuchteren, over de vele wijzen van seizoensvoorspellingen van vandaag de dag.
Feit is dat we weinig kunnen zeggen over de winter die aanstonds is. Het gezegde "'t kan vriezen en 't kan dooien" lijkt nog altijd erg toepasselijk. Het is echter aardig ontmoedigend als je bedenkt dat in de afgelopen anderhalf eeuw het in 4 van de 5 winters grotendeels dooide. We kunnen onze hoofden vooralsnog nog niet draaien richting de rekenwonders van de diverse weercentra. Zij melden ons, terecht teleurgesteld, dat hun pogingen om de aanstaande winter te beschrijven gestrand zijn op dezelfde score als een willekeurige worp van een ingewikkelde dobbelsteen met zo'n 520 zijden. Dat is op zijn mildst gezegd weinig hoopgevend voor voorspellingen van de gevestigde wetenschappelijke orde in de toekomst.
Dus vestigen wij ten lange leste daar maar onze hoop op de eeuwenoude weerregels. De beukennootjes, molshopen, mierennesten, maancyclussen, de samenkomst van Mars in conjunctie met Venus en Jupiter, we mogen het allemaal uit de kast trekken. Ondanks het harde werk van onze vriend Baur blijkt wel weer dat we het toch uitermate prettig vinden om ons te dompelen in een vloedstroom van deze volkswijsheden, hoe onwijs en onwaar deze in werkelijkheid ook zouden kunnen zijn. Uiteindelijk is het meer onze gevoelsmatige waarde die ons weer tot de oude wijsheden doet keren, zelfs niet als de waarheid haar zelfde recht voor onze ogen staat te glinsteren. Het haast verblindende vertrouwen in hetgeen waar we bekend mee zijn doet onze harten altijd het hardste kloppen. En dan denk ik wel eens: diep van binnen zijn, wij mensen, toch maar een uiterst moedeloos soort dat zijn optimisme tracht te vinden in het onbekende... wat een raar gegeven eigenlijk.
Quote selectie