Stralingsmist kan zich het beste vormen als er een zeer zacht briesje staat (1-2m/s). Dit zorgt voor de vereiste, continu aanvoering van nieuwe, vochtige lucht waardoor het verdampingsproces kan doorgaan. Teveel stroming (dus menging) kan echter ook zorgen voor een tempering van het uitstralingsproces en kan ook warmere lucht aanvoeren, waardoor het verdampen stopt. Bij te weinig wind, dus zeg maar géén wind, verdampt er nog wel het e.e.a. maar kan de mist geen diepte winnen omdat het verdampingsproces al vrij snel al het vocht opgebruikt heeft. Vandaar dat je bij geheel windstille nachten vaak slechts wat nevel of slootmist ziet. Bij echte goede mistnachten merk je wel als je in de velden loopt dat er nog een zuchtje wind staat. Het is niet veel, maar genoeg voor de vereiste vochtaanvoer.
Zie ook het forummuseum voor een gedetailleerde uitleg van het bovenstaande.
Quote selectie