Een gangbare vuistregel is dat er geschaatst kan worden als het ijs minimaal 7 cm dik is. Een indicatie
hiervoor kan gegeven worden met behulp van de volgende definitie voor schaatsdag:
"Zolang de daggemiddelde temperaturen lager dan 0°C zijn, en de som van de negatieve daggemiddelde
temperaturen groter dan 16 is, kan er geschaatst worden. De dag waarop 16 overschreden wordt, telt
als (eerste) schaatsdag. Zodra de daggemiddelde temperatuur boven nul komt, wordt de som van de
daggemiddelde temperaturen op nul gezet".
Zij spreken dus niet over grote wateren of over het midden van het land, maar puur over cijfers. Wat natuurlijk ook onzinnig is, want wat nu als er op een laagje ijs van 3 cm ineens een laag sneeuw valt? Dan heb je natuurlijk niet vanzelfsprekend een laag ijs van 7 cm bij een Hellmannbijdrage van 16 of meer...en zo lust ik er nog wel een paar. Gelukkig noemen ze het nog "een indicatie"...
Precies, die 16 is geen natte-vingerwerk van mij alleen.
Tja, de sneeuw bederft de boel natuurlijk. Dan moet je, om aan te geven of je het ijs op kan, weer heel anders te werk gaan. Exacte berekening is nooit mogelijk.
Bedenk wel, dat mijn schaatsdagen slechts een indicatie zijn. Het zegt niet met zekerheid of er op die dagen geschaatst kon worden of dat er geschaatst is. Je ziet er wel direct aan of de vorst voldoende persistent geweest is om ijs tot stand te brengen.
Groet,
Cees
Quote selectie