Op de weerkaartjes van het KNMI waren de drie noordelijke provincie de afgelopen dagen net een dolgedraaid stoplicht. Dan sprong Groningen weer op rood, dan Drenthe en Friesland en soms allemaal tegelijk.
Voor het KNMI is zo’n code rood altijd weer een plechtig moment. Je geeft zoiets niet lichtvaardig. Het slechte weer moet wel echt de hele maatschappij ontwrichten voor je zo’n stap zet. Vergelijk het maar met die knop waarop de Amerikaanse president moet drukken om een kernoorlog te beginnen, dat doe je ook niet zomaar. Af en toe jengelt een medewerker, bij de eerste de beste storm, sneeuw of gladheid: ‘En? Mag ik al drukken?’ En dan zegt de directeur: ‘Nee, hou je tengels thuis, het is nog lang niet ontwrichtend genoeg. Druk eerst maar eens op oranje.’ En áls dat weeralarm tenslotte wordt gegeven en de eerste opwinding is weggeëbd, dan kijkt de directeur voortdurend of we nog wel recht hebben op die code rood. Het zou een mooie boel worden als elke provincie zich bij het eerste laagje ijzel meteen maar een rampgebied mocht noemen.
Vandaar ook dat we die code rood koesterden. Die gladheid, de uitval van buslijnen, het noodgedwongen thuis zitten, schaatsende kinderen voor de deur, die ellende was er allemaal toch al, maar die code rood gaf het geheel in elk geval een officieel tintje. We raakten eraan gehecht: een meteorologisch Stockholmsyndroom. En we kijken erop terug als een mooie tijd. Een miniatuurwintertje, met nieuwe woorden zoals spanningsdips (‘sorry, ik zit even in een spanningsdip’) en lijndansen. We hadden het een halve dag moeilijk toen Drenthe en Friesland wel ‘rood’ waren, en wij het moesten doen met een schamel ‘oranje’. Alsof wij hier niet van de weg afgleden. Alsof hier geen kinderen op straat schaatsten. Gelukkig kregen we hem weer terug van het KNMI. Natuurlijk klinkt het erg: code rood, maar het was wel ónze code rood.
Hebben we die codes groen, geel, oranje en rood eigenlijk wel nodig? Het is overzichtelijker dan vijftig tinten grijs, maar het wordt wel een beetje infantiel. Kleurtjes zijn een wel erg bondige samenvatting van een situatie. Terwijl iedereen inmiddels op Buienradar een heel precies beeld kan krijgen van het weer in de omgeving, wordt een complete provincie samengevat met ‘rood’ of ‘oranje’. De wereld gereduceerd tot het kleurenpalet van Nijntje. De overheid heeft blijkbaar niet zo’n hoge dunk van onze intelligentie.
Maar tegelijk moeten we weer erg slim zijn om zo’n kaart in primaire kleuren te duiden. Want die roept nieuwe vragen op: Wat moet nu die Groninger die precies op de Drentse grens woont, als daar code oranje wordt gegeven? Alleen de achtertuin inlopen en de voortuin mijden als de pest? En wat moet de automobilist die om zeven uur hoort dat code rood ineens is afgelopen? Gas geven? Dick Bruna heeft makkelijk praten, onze wereld zit ingewikkelder in elkaar. Je gaat je bijvoorbeeld afvragen wat we doen als we hier een allesverwoestende storm of een eeuwigdurende winter krijgen, zoals de klimaatfetisjisten willen. Waarschijnlijk schrijft het handboek van het KNMI ook dan gewoon code rood voor. Anders ontaardt het systeem in vijftig tinten rood.
Code rood. Het is een makkelijke manier om ons ijzelavontuur van afgelopen week te onthouden. Maar er zijn talloze schakeringen om het vervolgens na te vertellen. Het ene rood is het andere niet, zoals buurmans gras ook altijd groener is. En we weten zeker: bij ons was dit wintertje een stuk roder dan bij de Friezen of de Drenten.
Willem van Reijendam
Quote selectie