De continu veranderende meetomstandigheden zijn het grootste zorgpunt wat betreft het doen van verantwoorde uitspraken als opwarming enzovoorts. De sterke urbanisatie heeft voor allerlei invloeden gezorgd die de homogeniteit van de meetreeksen sterk heeft benadeeld. Gelukkig wordt daar sinds het jaar 2000 iets aan gedaan, althans bij het KNMI. Het z.g. HISKLIM project is in het leven geroepen om de vele historische meetreeksen die ons land rijk is te homogeniseren. Dat wil zeggen: verantwoord te corrigeren voor veranderingen in de meetomgeving. Gelukkig heeft het KNMI een uitgebreide documentatie van de veranderingen in de meetapparatuur, die de voornaamste oorzaak zijn van inhomogeniteit, maar voor het in kaart brengen en corrigeren van invloeden met andere oorzaken was meer moeite nodig.
Desondanks is het KNMI een heel eind met het inventariseren en corrigeren van de enorme meetreeksen die ons land kent (de oudste meetreeks begint al in de 17de eeuw). Bij het corrigeren word, naast de genoemde veranderingen in de meetapparatuur, onder andere rekening gehouden met: aantal inwoners in de omgeving, bebouwing en begroeiing. Verder wordt rekening gehouden met de algehele welzijnstoestand van de gebieden. Denk hierbij aan de hoeveelheden verkeer (op de weg en in de lucht), aan uitstoot van industrieën. Op een nog grotere schaal wordt rekening gehouden met onder andere de diverse wijzigingen in het landoppervlakte die zijn opgetreden (bijvoorbeeld de creatie van Flevoland, wat enorme invloed had op de wind in het midden van Nederland).
Een voorbeeld van een inhomogeniteit in de meetreeks van De Bilt is de volgende, ongecorrigeerde reeks van het zomerhalfjaar (april – september) tussen 1901 en 1998.
Er is rond 1950 een grote sprong naar beneden te zien, gevolgd door een kleinere sprong omhoog in. Het KNMI heeft na enig speurwerk in de geschiedenis van het station De Bilt kunnen constateren dat de sprongen waarschijnlijk het gevolg zijn van een horizontale verplaatsing van de thermometerhut in 1950 en een (landelijk doorgevoerde) verticale verplaatsing (verlaging) van de thermometerhut in 1960. Inmiddels zijn deze wijzigingen in de meetopstelling vakkundig geanalyseerd en is de reeks hierna aangepast.
Tot slot: goede meetreeksen zijn een van de belangrijkste factoren waar we, zeker in het licht van conclusies wat betreft een regionale dan wel globale opwarming, veel energie in moeten steken. De homogenisatie van de historische meetreeksen is cruciaal bij het in kaart brengen van veranderingen in het weer en het klimaat door de loop van de tijd. We moeten ook niet naïef zijn en zeggen dat we, vanwege het feit dat er inhomogeniteiten in de meteorologische meetreeksen aanwezig zijn, nog geen verantwoorde uitspraken kunnen doen op het gebied van klimaatveranderingen. Dergelijke veranderingen hebben onbetwist veel verstrekkender gevolgen dan enkel een hogere temperatuur of meer neerslag. Het simpelste voorbeeld is het feit dat de gecombineerde hoeveelheid en bijbehorende concentratie CO
2 in onze atmosfeer de afgelopen 10.000 jaar nog nooit zo hoog is geweest. Dat is uit meerdere onderzoeken van ijsboringen op Groenland en Antarctica gebleken, nog altijd de meest zuivere (steriele) locaties op de planeet en dé plek om een historisch overzicht te vinden van wijzigingen in de atmosfeer en het klimaat.
Bronnen:
- Brandsma, T., F. Koek, H. Wallbrink en G.P. Können, 2000: Het KNMI-programma HISKLIM (HIStorisch KLIMaat). HISKLIM 1 (tevens KNMI-publicatie 191), KNMI, De Bilt, 72 pp
- Wallbrink, H. en F. Koek, 2000: Gang van zaken 1940-48 rond de 20.000 zoekgeraakte scheepsjournalen. HISKLIM 2 (tevens KNMI-publicatie 192), KNMI, De Bilt, 21 pp
Quote selectie