re·gen (de; m; meervoud: regens) 1tot neervallende druppels verdichte waterdamp: zure regen milieuverontreiniging door het (al dan niet in de vorm van regen) neerslaan van verzurende stoffen als zwaveldioxide, ammoniak en stikstofdioxiden2grote (neervallende) hoeveelheid: een regen van kogels re·ge·nen (regende, heeft geregend) 1het in druppels neervallen van gecondenseerde waterdamp2in grote hoeveelheid neervallen: (figuurlijk) het regent ontslagen rij·gen (reeg, heeft geregen) 1met een snoer (tot een reeks) verenigen: kralen aan een koordje rijgen
Zijn er nog mensen die nog steeds weeramateur zijn? Bij mij is er echt iets geknakt deze zomer.........