Doordat het land dermate opwarmt en er niet veel wind staat, is het effect van de zeewind sterker. Er ontstaat in korte tijd een groot temperatuurverschil tussen zee en land, waardoor de warme lucht genoodzaakt is te stijgen (dat is immers lichter dan koude lucht). Het effect is dan omgekeerd. Op hoogte waait er warme wind naar zee en van aan de grond een koude lucht het land op. Bij windstille condities wind de zeewind altijd. Pas bij een doorstaande aflandige wind kan de warme lucht ongehinderd de zee op waaien.
Dit omgekeerde effect verklaart ook waarom er in de kustgebieden nauwelijks onweer van de grond kan ontstaan (alleen dynamisch). Doordat er warme lucht op hoogte stroomt, stabiliseert de atmosfeer. Voor 'warmte onweer' is juist warme lucht aan de grond en koude lucht op hoogte nodig.