Het WMO heeft bepaald dat er pas sprake is van zonneschijn als er meer dan 100 w/m2 gemeten wordt. Als de zon lager staat zit die waarde daaronder!
Dat heeft ook te maken met de aanspreekgevoeligheid van de oorspronkelijk gebruikte Campbell-Stokes zonneschijnmeters. De registratiestroken brandden pas in bij ruwweg 100 W/m² (bij hoge relatieve vochtigheid wat meer). Dus om vergelijking met het oude materiaal mogelijk te maken heeft men deze grens gekozen. Alleen klopt dat niet goed in de winter, omdat de registratiestroken loodrecht op de zonnestand staan, terwijl bij lage zonshoogte het vergelijkbare horizontale oppervlak een stuk groter is.
Ik wist niet dat dat de achterliggende reden was!
Sowieso is er in de winter een groter verschil tussen the theoretisch max en het reële max, door de lagere baan van de zon duurt de zonsondergang (veel) langer.
En misschien weet jij dat; De dag is in groningen ongeveer een half uur langer op 20 juni vergeleken met Maastricht. De maximale daglengte die het KNMI gebruikt is dat de daglente voor midden NL of per locatie?
Dat moet wel per locatie zijn. Op de KNMI-site vind ik alleen de grafiek van De Bilt. Misschien is er wel een link naar de grafieken van andere stations, maar die vind ik - zoals nogal wat meer dingen - niet in het menu.
Dus ben ik gaan kijken naar weergegevens.nl, waar men allicht gebruik maakt van de KNMI-gegevens, en ik vind dan bijvoorbeeld voor de eerste vier dagen van juli iets andere percentageverhoudingen ten opzichte van het aantal uren zonneschijn voor De Bilt, Leeuwarden en Maastricht. Die verhoudingen komen redelijk overeen met de verschillen in daglengte. Dus dit kleine stukje onderzoek leidt tot de voorzichtige conclusie dat het KNMI inderdaad de daglengte per locatie gebruikt. Of anders zou weergegevens.nl die percentages zelf op de juiste manier uit moeten rekenen, maar dat lijkt me niet het geval.
Dankjewel voor het uitzoeken! Had ik natuurlijk ook kunnen doen, maar er moest ook nog gewerkt worden!