Indertijd heb ik in mijn studie natuurkunde en meteorologie geleerd dat luchtspiegelingen voorkomen als de dichtheid van de lucht toeneemt met de hoogte. Dat is het geval als de temperatuur in de onderste paar meter minstens 3,5°C per 100 meter afneemt, dus 3,5 keer zoveel als het maximale temperatuurverval in droge lucht in een evenwichtssituatie. Tijdens luchtspiegelingen is er geen thermisch evenwicht: er stijgen voortdurend kleine luchtbelletjes op, en dat veroorzaakt het zinderen.
Voor het zoeken naar de juiste plaats gaat het dus om een stuk wegdek of spoorlijn dat voldoende warm wordt, zodat dit scherpe temperatuurverval wordt bereikt.
Quote selectie