UV (A, B en C) zitten aan de kortgolvige kant en bevat veel energie maar is ook makkelijk te absorberen. Een groot deel al in de atmosfeer. UV bevat slechts 3% van alle energie uit licht. Infrarood, langgolvige straling, bevat iets meer dan 50%, de rest is het zichtbare licht. UV wordt geabsorbeerd door ozon (en glas) en gereflecteerd door wolken. Infrarood heeft een heel ander spectrum en is door het langgolvige karakter minder gevoelig voor verstoringen maar verantwoordelijk voor een groot deel van de warmte. Zichtbaar licht natuurlijk voor de rest.
UV-straling neemt toe met de helderheid van de lucht (er wordt minder geabsorbeerd of gereflecteerd) en met een dunnere ozonlaag. Ook als je omhoog gaat in de bergen krijg je te maken met meer UV-stralen. Maar de temperatuur neemt niet toe: het deel UV is immers maar een klein onderdeel van de totale straling.