Merkwaardige ijsvormingen van enkele cm grootte, die zich vlak onder het oppervlak van de grond vormen en de aarde een weinig oplichten. Een regenperiode, gevolgd door zonnige dagen en rustige, heldere nachten, waarin de afkoeling door straling geschiedt, zijn het gunstigst voor deze ijsvorming. Meestal ontstaat ze slechts zeer plaatselijk, dikwijls op hellingen die naar het Noorden gericht zijn, in wagensporen of op plaatsen waar het water niet goed kan weglopen, op poreuze grond die niet begroeid is, maar met wat stof, vuil en keitjes bedekt is; ik heb ze op zandgrond bij Bilthoven eenmaal waargenomen. De ijsvormingen zijn moeilijk te herkennen; men bemerkt alleen dat de aarde er sponsachtig, bloemkoolachtig uitziet, en moet het laagje aarde verwijderen om de ijslaag te bemerken. Deze bestaat uit vertikale vezels, alle evenwijdig aan elkaar gericht op de wijze van de vezels in asbest. De individuele vezels zijn slechts 0,4 mm dik bijvoorbeeld. Gewoonlijk zijn er verschillende lagen boven elkaar, gemakkelijk van elkaar te scheiden; men heeft kunnen nagaan hoe er elke nacht een nieuwe laag bij kwam. Aan de grenslagen is het ijs wit, ondoorzichtig, terwijl het overigens doorzichtig en helder is. De grootste dergelijke vormingen die men ooit heeft waargenomen bereikten een hoogte van 20 cm. Soms steken enkele zuiltjes boven het algemeen niveau uit; in een bepaald geval scheen dit telkens het geval te zijn als er een zaadje van een composiet (Senecio?) onder lag.2) Andere malen staan bijna alle zuiltjes los van elkaar als pijlers, bogen, miniatuurruïnes die een allersierlijkste indruk maken (fig. 79). Of de ijszuiltjes ontstaan niet uit de aarde, maar uit afzonderlijke stukjes krijt, kalkmergel, baksteen, as, zelden op keien; ook dan bestaan ze soms uit verschillende verdiepingen (blijkbaar één voor elke dag), ze zijn tot 5 cm hoog en 8 mm dik, meest recht, gestreept, soms hol. Soms dragen ze elk een keitje op
|
[p. 216]
|
|
|
hun top. Eenmaal zag men ze als lange draden opschieten uit schijnbaar zeer vast cement.1) Wat is de vormingswijze dezer eigenaardige objekten? Er kan geen twijfel aan zijn dat ze ontstaan door een voortdurend Fig. 79. IJszuiltjes, gevormd op een grintweg. Bij 4, 7, 8 ziet men hoe aarde en keitjes door het ijs opgelicht zijn. Op ware grootte, naar tekeningen van Scoresby, Edinb. new Philos. Journ. 48, 1, 1849.
|
|
|
[p. t.o. 216]
|
https://www.dbnl.org/tekst/minn004natu02_01/minn004natu02_01_0007.php