Behalve vlak bij de kust natuurlijk. Maar middenop moeten de waarnemingen bij het aardoppervlak 2 of 3 kilometer naar beneden doorgerekend worden om tot een waarde op zeeniveau te komen. Daarvoor moet je een temperatuurprofiel aannemen dat er in werkelijkheid niet is, en daar ligt het probleem: hoe ga je dat doen?
Het meest voor de hand ligt het om dat met een standaardatmosfeer te doen, dat wil zeggen 6,5°C opwarming per kilometer. Maar als er in de onderste paar honderd meter een inversie is (wat bij sneeuw en ijs gebruikelijk is), dan is het uitgangspunt de lage temperatuur onderaan de inversie, en die lage temperatuur zet je dan drie kilometer naar beneden toe voort. Dit geeft een (te) hoge waarde van de luchtdruk op zeeniveau, omdat koude lucht een hogere dichtheid heeft dan warme lucht.
Daarom kun je beter naar beneden rekenen vanuit de temperatuur aan de bovenkant van de inversie, en dan in feite de inversie verplaatsen naar zeeniveau. Een probleem daarbij is echter dat er niet overal sprake is van een duidelijke inversie met een geringe dikte, en dan weet je niet wat 'de bovenkant van de inversie' precies is. Dus is het eenvoudiger om toch gewoon de gemeten 2 meter-temperatuur naar zeeniveau te extrapoleren, maar dan krijg je zulke uitschieters als die we nu zien. Dit gebeurt met name bij rustig hogedrukweer. Dus er is wel hoge druk, maar die 'ontploft' dan een beetje.
De luchtdrukcorrectie is iets in de orde van één hectoPascal per graad Celcius temperatuurcorrectie (over de hele laag naar zeeniveau).