Is te vinden op de website wintersport.nl, hier het stukje over de invloed van wind op de dikte van het sneeuwdek:
Wanneer is sneeuw geen poedersneeuw meer?
Als de vertakkingen van de sneeuwkristallen afbreken dan verdwijnt er steeds meer lucht uit het sneeuwdek. Hierdoor wordt de sneeuw compacter en minder poederig. Deze evolutie kan op verschillende manieren verlopen:
De sneeuw kan smelten. Het water dat dan door de sneeuwkristallen heen sijpelt breekt de vertakkingen af en maakt de sneeuwkristallen rond, en ook vult het de luchtruimtes op. De sneeuw zet. Als de sneeuw nat valt als het te warm is gebeurt dit vrijwel meteen. Regen zorgt hier natuurlijk ook voor.
De sneeuw kan kapot geblazen worden. Als de sneeuw met veel wind valt, wat vaak gebeurt in de Alpen, dan breken de sneeuwkristallen in de lucht al. De sneeuwkristallen veranderen in kleine bolletjes die erg goed aan elkaar plakken, met maar weinig lucht ertussen. Ook kan de sneeuw die al gevallen is helemaal kapot geblazen worden door de wind. Dan verandert de poedersneeuw in een harde kartonachtige laag. Lastig en niet echt leuk skiën. Ook is verwaaide sneeuw meestal een signaal van lawinegevaar.
Door het eigen gewicht van poedersneeuw zet de sneeuw zich ook langzaam. Beetje bij beetje breken de kristallen en wordt de sneeuw compacter en compacter. Ook als het koud is en niet waait. Maar dit duurt wel even. Dan blijft de sneeuw heerlijk om te skiën. Die faceshots die je de eerste dag had zul je na 24 uur minder snel vinden. Maar het is nog steeds poedersneeuw.
Zie onderstaande link voor het hele artikel over poedersneeuw.