Dat komt door de verschillende hoeveelheden onderkoeld water in de buienwolken, welke weer samenhangt met de levensfase.
De buien beginnen vanuit Cumulus Congestus, waar veel onderkoelde wolkendruppeltjes in zitten. Bij de overgang naar cumulonimbus zeven de eerste ijskristallen dat water op, dat vriest eraan vast en pakt het in tot korrelsneeuw. Bij een sterkere stijgstroom blijven die kerreltjes langer zweven in het onderkoelde gedeelte van de wolk en groeien ze uit tot korrelhagel. In een verder gevorderde fase zit de Cb vol met ijskristallen (te zien aan de pluizige structuur) en is het meeste onderkoelde wolkendruppeltjes weg gezeefd. De ijskristallen blijven dan in tact en kleven aan elkaar tot sneeuwvlokken. Ook als er geen wolkendruppels zijn kunnen ijskristallen groeien a.g.v. het verschil in dampspanning tussen water en ijs.