Af en toe zal ik fragmenten posten van mijn artikelen in Weerspiegel over de winter van 62-63. Hier is er één.
Een weerbericht in perspectief.
Het weerbericht, de verwachting tot morgenavond
Droog en vrij zonnig weer met een meest zwakke wind uit oost tot noordoost. Strenge, in de nacht en ochtend plaatselijk zeer strenge vorst; in de middag enige tijd matige vorst.
Wat voor een weerbericht staat daar nou? Kan dat in Nederland? Is dat geen weerbericht van Moskou of Nizjni Novgorod? Toch kon dat, want dit is een weerbericht zoals ik me dat herinner van één van de koudste dagen in de winter van 1963, beluisterd in de mededelingen voor land- en tuinbouw op de radio, ’s middags tegen half één. Als heteven kon zaten wij voor de radio om die tijd, maar ook in de avond rond half zeven: dan klonk het meer uitgebreide weerpraatje van het KNMI. Meestal met mijn oor bij de speaker. Iedere weerliefhebber van mijn generatie herkent dat nog wel als hèt moment om de radio aan te hebben staan.
Een radiotoestel zoals wij dat destijds in huis hadden.
Hogedrukgebieden, depressies, fronten, vorstgrenzen, sneeuw en aankomende dooi werden uitgebreid besproken. De verwachting gold nooit verder dan tot morgenavond. Soms werd voorzichtig verder gekeken met opmerkingen als: “Luchtdrukstijgingen bij Groenland duiden er op dat de vorst voorlopig nog zal aanhouden”. Computers en internet waren er niet en dus ook geen kaartjes en modelverwachtingen; met de radioberichten van het KNMI moesten we het doen. Het bovengenoemde weerbericht is één van mijn vele scherpe herinneringen, die op de woelige baren van de opwarming voort dobberen; feiten en beelden die ik in de loop van de tijd heb aangevuld met originele weerkaarten van het KNMI, gegevens van het KNMI en krantenberichten.