Eerst even ons radiotoestel (ons niet papieren contact met de buitenwereld); de afbeelding lijkt niet doorgekomen te zijn in de vorige post.

Radio anno 1963
Dan nog iets over dat Siberische weerbericht. De koudste dagen waren in Leeuwarden de 10-e en 11-e januari. Zoals je in dit grafiekje ziet qua temperatuur veel kouder dan 18-1 , de dag van de elfstedentocht (Dit even afgezien van het lage minimum op 18-1 , dat kort duurde in de vroege ochtend). Op 10 en 11 januari was het rustig weer met een zwakke wind uit oost tot noordoost. In het hele land ging het kwik tot zeer lage waarden. Het was in de middag best aangenaam weer met -8 en een bleek zonnetje en weinig wind. Leeuwarden op 11 januari gemiddeld -15.3! Zie de grafiek hieronder.

Winterkou anno 1963
Huizen waren in het algemeen slecht geïsoleerd en dubbel glas in de woningbouw werd, hoewel al bekend direct na de WOII, nog lang niet algemeen toegepast. Slaapkamers waren vaak koud, soms tot rond het vriespunt, en de ramen ervan werden tijdens een hevige vorstperiode bedekt met ijsbloemen. Centrale verwarming was nog geen gemeengoed en in heel veel huishoudens werden kolen gestookt, met een kachel die in de woonkamer stond. Een beetje warmte stroomde nog wel naar de slaapverdieping, maar koud bleef het. Vooral tijdens dagen met lage maxima kregen ijsbloemen vrij spel in kamers waar geen zon kwam.

Kolenkachel zoals ik mij die herinner
IJsbloemen op ramen zien we tegenwoordig bijna nergens meer. Ik denk dat dat vier oorzaken heeft. In de eerste plaats heb je daarvoor enkel glas nodig en dat was in 1963 gangbaar in huizen. En dan: slaapkamers werden niet of nauwelijks verwarmd (Bij strenge vorst en wind ontstonden trouwens ook bloemen in verwarmde vertrekken, zoals ik in 1987 nog heb meegemaakt). In de derde plaats woonden we met veel meer mensen in eenzelfde ruimte dan nu; dus meer vochtproduktie. En in de vierde plaats werd vocht vanuit de keuken en soms van een wasrek met nat wasgoed voor de kachel wat minder snel door ventilatie afgevoerd. IJsbloemen met fraaie vormen waren het beginstadium; het vocht op het raam groeide langzaam in kristallen van verschillende lengte. Bij doorzettende vorst met overdag -4 of lager vervaagde het beeld op ruiten waar geen zonlicht kwam en na een paar dagen zag je nog slechts een homogeen wit rijpoppervlak. Geleidelijk filterde deze laag steeds meer licht, zodat we tegen een lichtgrijs vlak aankeken. Dat was een heel specifiek verschijnsel voor die zeer koude winterperioden. De herinnering daaraan roept nog steeds sterke nostalgische gevoelens bij mij op.