Lambert was een ‘geleerd’ landbouwer/veehouder met een brede belangstelling voor de geschiedenis van het Gooi. Hieronder een stuk uit zijn Memorie.
Memorie gehouden van eenen Harden # winter, dat het roggewas hier uijt vroer Etc, in 't Jaar 1709
Op den 6 Januarius 1709 des morgens ten seeven uijren doen begon het alhier met een seer stercken oosten kouden regenwint, soo hart strangh bitter kout en wonderlijk te vriesen als bij menschen geheugen niet is geschiet, want dese felle koude al veel met een stercken suijtooste ooste, en noortooste winden ende seer dickwils met sneeuw en Jagt sneeuw vermengt deurde den tijt van netto 20 dagen, ende op den 26 Januarij een zuijtwesten wint, soo hart te doijen dat binnen den den tijt van 12 dagen het meeste ijs bij na gesmolten en bij onse wal van daan was, waarom alle de vissers alhier, ende van muijden marcken durgerdam bunschoeten spakenborg en voorts van alle noorthollantse zeeplaatsen hare fuijcken uijt setteden in dese zuijtzee, ende nadat sij daar twee dagen in gestaan hadden, soo begon het wederom seer schielijk en onverwagt uijt den zuijtoosten oosten noortoosten wederom seer hart, met een stercke verhevene wint te vriesen soo dat in den tijt van twee dagen de zee boeven gantsch toe bevroren lagh, ende vroer soo wederom noch 12 dagen waar door alle de vissers die hare fuijken uijtgeset hadden, altemaal quijt waren, ende verloren daar wel door twee duijsent fuijcken en wel vier duijsent staken, Ja in 't Lest van 't voorz doije weer doen voer mijn zoon rijck en mijn swager Cornelis met pieter willemsz westlant na marcken, om fuijken voor de twee Laaste te koopen, ende terwijl sij daar fuijcken kogten soo beweerden sij daar doen dese schielijke opkoemende vorst, ende in vier dagen vroer het veel, dat sij met groot gevaar van haar Leven, op den 15 februw over 't ijs van daar t'Huijs quamen waar voor de Heere onse godt, als doen, en als noch gedankt ge eert en gepresensen sij, voor sijne genade daar in bewesen, ende alsoo in de voorz 20, en 12 dagen vriesens, en noch naderhant door veel Harde winden met sneeuw en Jagtsneeuw vermengt ende noch daar na het sneeuwwater doijende soo wiert eijndelijk bevonden, dat door 't voorz Hart vriesen, stercke winden, Jagt sneeuw, en door 't smelten van 't koude sneeuw: water, de meeste winter granen van rogge, taruw, gerste, raapsaat en andere granenzaden en kruijden des velts waren soo bedorven en uijtgevroren, dat men wel te gemoet sagh eene dieren tijt, Ja de Hulst, klimmer, wijngaarden, appel, peere en andere fruijtboomen waren soo bedorven, dat voor eerst geen vrugten daar van te wagten waren, Ja linde, ijperen en andere boomen die barsteden met groote scheuren van de koude op, Ja veele menschen, en beesten vroeren doot, andere handen, voeten, neus en ooren af, andere armen beenen en vingers af, ende veele beesten hare ooren en sta(a)rten af Ja alle de droevige gevallen en gevolgen veroirsaakt door de onbeschrijffelijke koude vorst, dat is, met geen pen te beschrijven, alleenlijk sal Ik noch eenige gevolgen daar van beschrijven en seggen, daar is op gevolgt eene groote dierte in de granen kooren, zaaden, en in allerhande aart en boom vrugten ende generaalijken in alle Eetbare en dagelijckxe gebruijcken de waren, Ja soodanige gevolgen dat een mudde zomer taruw, om daar mede te saijen, tot utregt is verkogt voor 30 gulden, en een mudde somer rogge voor 20 gulden, ende hadde op 't Laast daar meer van geweest, het soude noch meer gegolden hebben, Ja de ellende die hier uijt ontstont, die was soo groot, dat de arme menschen niet wisten aen de kost te koemen, doch de gezaijde somer vrugten die slaagden hier wel want op mijne kleijne kamptje bij 't Huijs groot ontrent ½ schepel boulant, daar waste dien somer op 2 ½ mudde somer rogge het mudde was doen 13 guld: en elcke rogge bos stroo 2 stuijv: soo dat dit gewas van 't voorz kampje meer als 40 guld: afbragt.
Info over hem
KRONIEK VAN LAMBERT RIJCKSZ LUSTIGH 1654-1727 (50plusser.nl)