Vanmiddag van Omroep Fryslan een docu over de Elfstedentocht van 63 op NPO 2 (herhaling morgen); mooie beelden en interviews. Ik maakte een opmerking over de overdrijving van de weersomstandigheden. De werkelijkheid was al erg genoeg. Men wist trouwens van tevoren al dat dit een van de zwaarste tochten uit de geschiedenis zou worden; en men wist nog niets van de wind en stuifsneeuw die zouden verschijnen in de loop van de dag.
Hier eerst een krant van 16-1-63:
Dan hieronder een deel van artikel no 5 van een reeks over winter van 63 die ik geplaatst heb in het blad Weerspiegel (VWK):
Mocht deze tocht wel gehouden worden?
Vrijdag 18 januari, vroeg in de ochtend, één van de koudste dagen van de winter van 1963. De grote dag van de Tocht der Tochten begint in het hele land met strenge tot zeer strenge vorst bij weinig bewolking en vrijwel geen wind. De afwezigheid van wind is misleidend, alsof de winter het rustiger aan gaat doen. De temperaturen liggen in het zuiden van Friesland omstreeks -20 met Joure -20,8 als minimum. In Leeuwarden is het dan ongeveer -17. Elders in het land is het nauwelijks anders met bijvoorbeeld -13 in Vlissingen en -16 in Rotterdam. Barre kou dus maar de elfstedenrijders zijn erop voorbereid. Strenge tot zeer strenge vorst kende men immers al van deze winter. De misleidende windstilte wordt veroorzaakt door een kleine storing, die we al op 17 januari de weerkaart zagen sieren. En om alles in perspectief te plaatsen: deze storing ging mee in een omgekeerde straalstroom, vanuit de Baltische Staten in de richting van ons land. Voor de storing uit werd het windveld sterk verzwakt. We zien de situatie op de weerkaart van 18 januari 1963 om 1 uur (Afb. 1). In De Bilt valt om 4 uur de wind weg. Op het naderen van de storing draait de wind, zij het uiterst zwak, in Leeuwarden naar west.

Afb. 1 Weerkaart 18-1-63 om 1 uur
De voorspelling van de vorige dag, waarin gesproken werd over zwakke veranderlijke wind, had een cruciaal element gemist: de krachtige oostenwind die in de middag opstak. Op de weerkaart van 13 uur (Zie Afb. 2) zien we dat de storing ons gepasseerd is en dat de oostelijke wind terug keert. In Leeuwarden zit de wind om 10 uur al weer in de oosthoek bij. Achter de storing is de luchtdruk in west Rusland en Zweden flink gestegen waardoor de wind toeneemt en de aanvoer van zeer koude continentale lucht weer vol op gang komt. Een depressie bij Portugal lijkt hier mede de hand in te hebben; deze depressie veroorzaakt drukdalingen in het Middellandse Zeegebied.

Afb. 2 Weerkaart 18-1-1963 om 13 uur
Het weer leverde de grootst mogelijke uitdaging voor de deelnemers aan en de organisatie van de twaalfde editie van de Elfstedentocht op 18 januari 1963. Er zijn boeken over volgeschreven, niet in het minst omdat het één van de zwaarste, zo niet de zwaarste, van alle Elfstedentochten is geweest (Zie kader: Barre tochten). Voor mij als 16-jarige plezierschaatser op Friese doorlopers scheen de Elfstedentocht sowieso al een monstertocht voor heel sterke schaatsers. Een beeld overigens dat in de jaren 80 wel grondig werd bijgesteld. Bij voorbaat was die tocht voor mij al een onmogelijke opgave en de bewondering voor die mannen die de tocht in een uur of 11 à 12 volbrachten was groot. Wat zich in de rest van de grote groep schaatsers afspeelde is mij in eerste instantie ontgaan.
Deze dag heet wel de koudste dag van de winter zijn geweest. Inderdaad werd op die ochtend de laagste waarde van de winter gemeten bij windstil weer: -20,3 in Soesterberg en -20,8 in Joure. Was het de koudste dag? Het is maar hoe je het bekijkt en het behoeft niet overdreven te worden om toch grote indruk te maken. Het verhaal dat er een harde wind bij -18 zou hebben gestaan circuleert nog steeds op diverse plaatsen, maar dat is een stap te ver. De werkelijkheid is dat de temperatuur in Friesland na een uiterst koude nacht, met minima tussen -17 en -20 bij vrijwel windstilte, overdag niet extreem laag geweest is. Wat temperatuur betreft zijn er koudere dagen geweest in 1963. Ook was de temperatuur in Zuid Limburg op 18 januari lager dan in Leeuwarden. In Maastricht was het minimum in de ochtend -18,0 en het maximum -10,4.
Barre tochten
Het weer tijdens Elfstedentochten is heel verschillend geweest. Naast 1963 waren 1929 en 1942 ook extreem koud. Daar staan tochten tegenover met prachtig en rustig winterweer, zoals 1954 en zelfs tochten met lichte dooi zoals we dat kennen van 1985. Wat betreft extreme kou is 1929 met temperaturen die van -16 tot -18 in de vroege ochtend opliepen tot -6 of -7 in de middag één van de koplopers. En dat alles bij een windkracht 4 tot 5. Niet veel daarvan verschilde 1947 met temperaturen die 1 of 2 graden hoger lagen maar dan met een windkracht 5 tot 6. Ook 1940 had te kampen met veel wind en temperaturen tussen -11 en -5. De sneeuwjacht die opstak maakte deze tocht extra moeilijk; slechts 1% van de toerrijders volbracht de tocht (bronnen spreken elkaar hier tegen; elders heet het 35%). Wat betreft temperatuur spant 1942 de kroon. In de vroege ochtend vriest het 16 tot 18 graden en in de middag blijft het kwik steken bij ongeveer -10 (in De Kooy max -10,2) om vervolgens weer snel te dalen. Gelukkig voor de elfstedenrijders was er niet veel wind, maximaal kracht 3 uit het oosten. Daarbij was het ijs goed. De windfactor en de kwaliteit het ijs, juist de factoren die 1963 moordend maakten, leidden er in 1942 toe dat ongeveer 80% van de deelnemers de tocht volbrachten, wat vergeleken met andere tochten hoog is. Opvallend is trouwens dat het aantal deelnemers sinds de vorige tochten in 1942 flink gestegen was. Het aantal van 3.862 toerrijders werd pas in 1956 weer overtroffen.
Het was vooral de wind die het winterweer extreem moeilijk maakte voor de schaatsers. In Leeuwarden liep het kwik in de ochtend eerst op tot -4. Vanaf 10 uur ging het naar beneden tot -10 rond middernacht. De wind wakkerde daarbij aan van kracht 3 om 10 uur tot kracht 5 en tijdelijk 6 in de middag en avond. Dat betekent dat de eerste uren van de tocht extreem koud geweest zijn. In Leeuwarden was het zo’n 17 graden onder 0 terwijl elders in de provincie -20 is gemeten. Op weg zullen de wedstrijdrijders in -18 tot -20 hebben gereden tussen 6 en 8 uur. Beelden van schaatsers van die eerste uren laten wit berijpte kleding zien; heel verklaarbaar uit rustige, nevelige omstandigheden met snel bevriezend vocht van uitgeademde lucht. We kunnen de windchill erbij betrekken en dan zien we op basis daarvan zeer lage gevoelstemperaturen, ook in de middag en avond. De schaatser heeft natuurlijk altijd een luchtstroom langs zich en heeft daarbij ook een natuurlijke windchill. In de tabel, die ik graag overneem van het KNMI, zien we de windchill op basis van de heersende wind van uur tot uur. (Zie Afb. 3). Bedenk dat de tijd gegeven wordt in UTC waarbij onze tijd een uur later aangeeft. Vooral de rijders die in avond nog het noordelijke deel van de tocht moesten afleggen, kregen met de eigen snelheid tegen de wind in erbij, te maken met zeer lage gevoelstemperaturen. Naar schatting, bij een rijsnelheid van 4 m/sec ongeveer -19 tot -20. De windsnelheden gelden voor Leeuwarden. In het noorden kan het nog iets meer geweest zijn.

Afb. 3: Tabel windchill
In de middag en avond stapelden de problemen voor de rijders zich op. Het werd steeds kouder en de wind, veelal als tegenwind, werd krachtiger waardoor bovendien de banen dicht stoven met stuifsneeuw. En niet te vergeten: dat alles op doorgaans zeer slecht ijs. Wie een achterstand had, zag deze door de verslechterende omstandigheden steeds verder oplopen. Om 17 uur werden de meeste deelnemers door de organisatie, in samenwerking met de politie, van het ijs gehaald omdat de finish niet meer haalbaar was en het risico op ongelukken te groot werd. Onnodig te zeggen dat artsen en EHBO-ers langs de route handenvol werk hadden aan botbreuken, wonden en bevroren ogen en tenen (Zie kader: Van het oorlogsfront).
Van het oorlogsfront
Er zijn allerlei bijzondere verhalen opgetekend van de gebeurtenissen tijdens en rondom de elfstedentocht van 1963. In het boek “De mannen van 63” staan de verhalen van toerrijders. Wat een toerrijder die opgaf meemaakte las ik in het boek “It sil heve” over 100 jaar Elfstedentocht. Het gaat om Henk Woudstra uit Akkrum. Als dienstplichtig militair kon hij na een strenge selectie aan de tocht deelnemen. Al vroeg verloor hij tijd door hulp te bieden aan een vriend die een arm had gebroken. In Stavoren sloeg hij de raad om te stoppen nog in de wind. Bij Hindeloopen begon hij te rekenen en zag in dat hij de resterende 120 kilometer nooit op tijd zou kunnen volbrengen. Hij besloot omstreeks 15 uur de trein naar Leeuwarden te nemen. De kaartjes, toen nog voorbedrukte harde kartonnen kaartjes van 2 bij 5 cm, waren uitverkocht door de enorme drukte van deelnemers die daar hadden opgegeven. Geen nood, men schreef met de hand een biljet uit en zette daar een stempel op. Nu kwam de volgende hindernis: de treinen vanuit Stavoren naar Leeuwarden waren afgeladen vol en instappen was praktisch onmogelijk. De stationschef adviseerde hem de vrijwel lege trein naar Stavoren te nemen en dan te blijven zitten voor de terugreis naar Leeuwarden. Dat advies volgde hij op en kwam kort daarna in Stavoren aan. Hij schrok van het bizarre schouwspel dat hij daar zag: veel mannen in verband, hoofd en ledenmaten soms onder het bloed, vechten om een plaats in de trein. Het waren afschrikwekkende beelden die hem deden denken aan een massa oorlogsgewonden die terug kwamen van het front. Hij prees zichzelf gelukkig dat hij heelhuids uit de strijd was gekomen.
Niet meer dan 10% van de wedstrijdrijders kwam binnen twee uur na de winnaar binnen. Van de 9.294 toerrijders kwamen er slechts 69 over de finish. De omstandigheden waren zo uitzonderlijk zwaar, dat Jeen van den Berg achteraf meende dat de tocht op die dag niet gehouden had mogen worden. Zelf werd hij geteisterd door valpartijen en sneeuwblindheid; hij kwam als derde binnen achter de glorieuze winnaar, Reinier Paping, op 24 minuten. Nooit was de tocht zo zwaar en nooit was het percentage uitvallers zo groot geweest. En dat alles door een kleine storing uit ongebruikelijke richting en onverwachte luchtdrukveranderingen waardoor iedereen verrast werd. Ik ben ervan overtuigd dat deze ontwikkeling met de huidige verwachtingstechnieken een dag van tevoren was gezien. Of dat drie dagen vooruit ook goed gelukt zou zijn, betwijfel ik.