Voornamelijk de verticale uitgestrekheid bepaald dit. Neerslag valt uit stratiforme wolken of buien. De eerste soort trekt meestal met de wind mee op zo'n 900 à 800 hPa, buien trekken vaak wat meer met de wind op 700 à 600 hPa mee. Hoe beter een lagedrukgebied verticaal ontwikkeld is, hoe groter de kans dat de neerslag eromheen gaat draaien. Bij een grotere horizontale omvang is de kans dat er neerslag "ingevangen" wordt natuurlijk ook groter.
Kijk dus vooral naar hoogtekaartjes en windkaartjes op diverse niveau's om te zien hoe een lagedrukgebied verticaal ontwikkeld is. Een thermisch laag is vaak beperkt tot de grenslaag terwijl een hoogtelaag, zoals het zegt, vaak alleen in de hooge zit (500 hPa of nog hoger soms, daaronder niet of nauwelijks). Een "gewoon" lagedrukgebied is in alle luchtlagen aanwezig.
Quote selectie