Vandaag heb ik me weer eens gezet aan wat ambachtelijk reken- en tekenwerk. Omdat er de laatste tijd zoveel geklaagd wordt over het 'ondermaatse' zomerweer heb ik geprobeerd om hier meer over te zeggen aan de hand van de beschikbare gegevens op weerstatistieken. Daarbij heb ik een combinatiewaarde gemaakt van de gemiddelde temperatuur over 30 dagen, de hoeveelheid zonneschijn en de hoeveelheid neerslag in die tijd. Daarbij tel ik de zonne-uren op bij de gemiddelde temperatuur met een factor 0,01, en de neerslag geeft een negatieve bijdrage met een factor 1/70. Ik vond namelijk 0,01 te weinig, en 0,02 te veel. Dit is wel nogal arbitrair, maar ik dacht zo wel zinvolle uitkomsten te vinden.
Daarbij komt dat in mijn ogen de zomerbeleving voor een groot deel bepaald wordt door grofweg het eerste deel van de zomervakantie, waar we nu inzitten. Dus heb ik de periode genomen van 21 juni t/m 20 juli. Daarmee ben ik gaan rekenen met de genoemde combinatie-'temperatuur'; dit alles voor De Bilt. In een normale zomer kun je in 30 dagen ruwweg 200 uur zon verwachten, en 70 mm regen, zodat de eindwaarde gemiddeld ongeveer een graad boven de gemiddelde temperatuur ligt. Maar in een zonnig en droog jaar kan dit tot +3 graden oplopen, terwijl in een somber en nat zomerseizoen er een negatieve correctie is; in een extreem geval zelfs tot -2 graden.
Van de uitkomsten heb ik op ruitjespapier een grafiek gemaakt. Daarop zie je vooral een grote spreiding, en in deze eeuw ook een markante stijging. Met name in de laatste 10 jaar, en daarin zit nu juist het punt, want vanwege de spreiding kun je geen staat maken op een periode van slechts 10 jaar. Ik heb de indruk dat velen nu - bewust of onbewust - verwachten dat deze laatste periode de geldende normaal is, of zelfs dat gemiddelde nog naar boven afgerond, maar het is niet waarschijnlijk dat dit ook echt zo is. Vandaar dat er nu teleurstellingen ontstaan, terwijl er (vanaf 21 juni dan toch) weinig of niks bijzonders aan de hand is.
De hele periode beslaat bijna 120 jaar: de neerslaggegevens beginnen pas bij 1906. Dus kon ik die net niet opdelen in vier klimaatperiodes van 30 jaar, en als 'Peter-oplossing' heb ik daarom periodes van 29 jaar genomen. Deze geven de volgende gemiddelde 'belevingstemperatuur' (of hoe moet je het anders noemen):
1906 - 1934 16,58°C
1935 - 1963 17,25°C
1964 - 1992 17,40°C
1993 - 2021 18,50°C, maar: 2014 - 2023 19,48°C.
De laatste periode vanaf 1993 geeft dus een opwarming van ruim een graad ten opzichte van de vorige twee periodes, wat redelijk overeenkomt met de gemeten opwarming, gemiddeld over de zomer. Maar juist daarom lijken de laatste tien jaar een uitschieter naar boven te zijn. Gemiddeld over het hele jaar zien we dit niet aan de gewone temperatuur. Het lijkt dus voor de hand liggend dat de 'momentane' waarde van de hier gedefinieerde temperatuur nog niet boven de 19°C ligt, en dan kun je verwachten dat er een heel aantal mindere jaren komen, zonder dat er iets speciaals aan de hand is.
Op deze afbeelding kun je zien hoe groot de spreiding is in de belevingstemperaturen: er is een verschil van maar liefst 13 graden tussen het koudste en warmste jaar! Die twee liggen trouwens heel dicht bij elkaar, want het warmste jaar is allicht het onverslaanbare jaar 1976, maar het koudste was 1980! Het op een na koudste was 1978! Wellicht daarom dat de oudere garde met heel andere ogen kijkt naar 'normaal hollands zomerweer' dan de jongere generatie. Wij zijn gehard door die twee uitzonderlijke jaren!
Hier een tabel van de top 10 warmste en koudste jaren:
Top 10 warmste en koudste periodes van 21 juni t/m 20 juli, ‘belevingstemperatuur’.
Warmste: Koudste
1976 24,89 1980 11,85
2006 22,86 1978 12,71
2010 22,50 1919 12,89
1994 21,88 1948 13,24
2018 21,72 1907 13,48
1941 21,72 1913 13,54
1983 21,72 1966 14,06
1995 21,40 1954 14,27
1959 21,19 1922 14,34
2022 20,77 1909 14,42