Een exact getal is lastig te geven zonder?(1) de precieze gemiddelde etmaaltemperaturen, (2) de begintoestand van het water en (3) aanvullende factoren zoals wind en sneeuwdek. Maar uit de grafiek is duidelijk dat het (bijna) de hele maand diep onder nul was. Bij zulke aanhoudende strenge vorst kan natuurijs gemakkelijk richting de 20–30?cm dikte groeien op stilstaand of langzaam stromend water. In ondiepe plassen of sloten (waar het water sneller afkoelt) kan het zelfs meer richting de 40?cm gaan.
Een ruwe vuistregel is dat de ijsdikte in centimeters grofweg groeit met de vierkantswortel van het aantal “vriesgraaddagen” (het verschil tussen de gemiddelde etmaaltemperatuur en 0?°C, opgeteld over alle dagen onder nul). In een historisch uitzonderlijk koude maand als januari?1823, met gemiddeld veel graden onder nul, zit je dan al snel op enkele decimeters ijs. Uiteraard kan het lokaal verschillen (bijvoorbeeld door stroming, wind, of sneeuwisolatie), maar het was in zo’n winter zeker dik genoeg om veilig op te schaatsen en in sommige gevallen zelfs paard en wagen te dragen.