Artikel Een weerpraatje (1893) uit Vragen des tijds.

Bericht van: sebastiaan (bussum) , 07-12-2025 13:40 

Dikwijls hoorde men den uitroep: "Het weder is van streek", maar tegenwoordig schijnt er in het geheel geen peil meer op getrokken te kunnen worden. De vroege voorjaarsdagen doen soms denken aan een kostelijke lente, en dan komt de van ouds beroemde, althans veelbezongen mei ons ontnuchteren door schrale, snerpende winden, gevolgd door een dorstige, maar te vergeefs naar lafenis smachtende junimaand, doorgaans afgewisseld door een natte zomer, juist als wij eens wilden gaan genieten.

 

Waar zijn onze ouderwetse winters van twee of drie maanden, met regelmatige vorst, flink koud maar niet onhoudbaar door overdrijving, afgelost door lekkere, warme zomers, waarin men niet behoefde te vragen of dat nu de zomer was, zoals men thans in juli en augustus menigmaal als noodkreet hoort uiten?

 

Dan verneemt men onafgebroken klachten over ons klimaat, maar let er niet op dat het elders niet veel beter, ja, wat zeggen wij, dikwijls nog slimmer is; immers wij behoeven ons slechts de winter van 1893 te herinneren, toen we stellig veertien dagen lang sidderden op het muurvaste bericht dat de wind nog altijd zuid was. Die zuidenwind — voorheen vermaard als Zephyr — bracht ons nijpende koude, sneeuwstormen en soortgelijke verrassingen.

 

Ja, men kan het gerust verrassend noemen dat toen, op 16 januari, de thermometer in Den Helder juist op het vriespunt stond, terwijl te Parijs een koude van 17?°C beneden dat vriespunt werd waargenomen. En die waarneming stond niet op zich zelf; geheel zuidelijk Europa wedijverde in barre koude met de oostelijke landen van ons werelddeel. De derde week van de genoemde maand kenmerkte zich door een Siberische temperatuur, waarvoor wij hier goeddeels bewaard bleven, al kwam hier een enkel maal 10–12?°C vorst voor en joeg de sneeuw ook om onze oren. Men verneme slechts hoe het er elders uitzag, hoe talrijke spoortreinen in de sneeuw bleven steken, hoe geheel Wenen met ruim een meter sneeuw werd bedekt, hoe geheel Opper-Italië in ijs en sneeuw gekluisterd lag en zelfs in Bologna de laatste meter alles overdekte; hoe te Triëst het verkeer te land en in de haven onmogelijk was geworden door heftige en aanhoudende sneeuwstormen en ondragelijke koude; zelfs de Arno bij Florence vroor toe en evenzo werden in volstrekt niet mindere mate Cadiz en Andalusië geteisterd.

 

Ook Griekenland werd niet gespaard, en hoe koud, aanhoudend bar koud het in Constantinopel en aan de Zwarte Zee was, konden wij meermalen in de dagbladen lezen. Bij de warme haard gezeten dacht men ongetwijfeld aan het lijden van die arme natuurgenoten in zuidelijke landen, waar men in het geheel niet of zeer gebrekkig op verwarming der vertrekken is ingericht.

 

Dat de 16e tot en met 19/21 januari de strengste dagen waren, kan blijken uit de volgende mededelingen, alle uit dat tijdperk dagtekenend. De temperatuurgraden Celsius beneden het vriespunt bedroegen: te Amberg (Beieren) −34?°C, te Bamberg −29?°C, te Berlijn −26?°C, te Königsbergen, Stettin en Memel −25?°C, te Dresden −24?°C, te Chemnitz −28?°C, te Nimburg (Bohemen) −35?°C, in Polen −33?°C, in Wurtemberg −26?°C, en in Zuid-Europa: te Reggio (Opper-Italië) −20?°C, te Udine en Padua −16?°C, te Ferrara en Brescia −14?°C, te Bologna −12?°C, te Mâcon en Lyon −29?°C. Genoeg cijfers om aan te tonen dat wij er in Nederland nog zeer gematigd afkwamen, terwijl wij ons reeds op 20 en 21 januari in dooi mochten verheugen, ofschoon toen vele streken door sneeuwstormen werden geteisterd.

 

Aan menig reizend of trekkend mens kostte het doorstaan van deze koude het leven, en in de dierenwereld was de slachting talrijk; vooral wild en gevogelte leverden bedroevende cijfers, het meest in Oost-Europa.

 

Men beweert wel eens dat de koude in het oostelijk halfrond wordt gecompenseerd door warmte op het westelijk halfrond, maar die menselijke berekening faalde althans in deze winter.

 

In geheel Noord-Amerika was het gelijktijdig zo streng koud als slechts zelden voorkwam: ongehoorde sneeuwstormen, gepaard met verkeerstremming en gevolgd door gebrek aan allerlei benodigdheden. Vele rivieren en stromen, waar men sedert mensenheugenis geen ijs had gezien, waren toegevroren. Zelfs in Louisiana, Mobile en Savannah viel sneeuw, en in de Chesapeake-baai (15 graden zuidelijker dan Nederland) stierven enkele varensgezellen van de koude.

 

Zien wij ten slotte eens rond op onze bekendste badplaatsen, waarvan velen als winterresidenties worden aanbevolen en gebruikt, dan merken wij op dat in die barre dagen de thermometer er daalde: te Davos (namiddag) tot −10?°C, te Nice tot −2?°C, te Montreux tot −6?°C, te Kissingen tot −29?°C, te Baden-Baden tot −21?°C, te Wiesbaden vijf dagen lang tot −18?°C. Ons dunkt dat men de zwakken wel mag beklagen, die door hunne geneesheren zo ver van huis aan zooveel koude en snelle afwisseling worden blootgesteld. Trouwens, uit het zo beschermd gelegen Davos vernam men dezen winter niets dan klachten, terwijl een ons bekend teringlijder, die reeds overal was heengezonden, dezen winter een luchtkuur aan onze zeekust had beproefd, en zich nimmer zo krachtig en opgewekt had gevoeld als na deze proefneming.

 

Om te besluiten delen wij als persoonlijke ervaring mede — ten bewijze dat in het zuiden niet altijd gelijkmatigheid van klimaat is te vinden — dat op 15 augustus om 11 uur ’s avonds het volslagen zomer was op de heerlijke Place Bellecour te Lyon; honderden zaten buiten naar de lieflijke muziek te luisteren en genoten met volle teugen. De volgende ochtend, 16 augustus om 7 uur, was de naburige Notre-Dame de Fourvières door mist onzichtbaar en de wind- en regenvlagen hielden zozeer huis dat wij totaal verkleumd in den spoorwagen stegen.

 

Leve het kustklimaat!

 

 resolve

 

 

 

 

„Et nul ne se connait tant qu'il n'a pas souffert, „C'est une dure loi, mais une loi suprème, „Vieille comme le monde et la fatalité, „Qu'l nous faut du malheur regevoir le baptéme, ~Et qu'a ce triste prix tout doit étre acheté. „Les moissons pour murir out besoin de rosée, „Pour vivre et pour sentir l'homme a besoin de pleura, „La joie a pour symbole une plante brisée, „Humide encore de pluie et couverte de fleurs."

Artikel Een weerpraatje (1893) uit Vragen des tijds.   ( 287)
sebastiaan (bussum) -- 07-12-2025 13:40