HET METEOROLOGISCH STATION OP DEN SONNBLICK
Op den 1sten November 1647 schreef Pascal uit Parijs een brief aan zijnen zwager Périer, die zich toen te Moulins bevond, met het verzoek om door eene overtuigende proefneming een vraagpunt uit te maken, dat de gemoederen der wijsgeeren in het midden der 17de eeuw ten zeerste in beweging bracht. Pascal verlangde namelijk van Périer, dat deze den Puy-de-Dôme bij Clermont (Auvergne) zou bestijgen, om te onderzoeken, of, zoals Pascal naar aanleiding van door hem en door Torricelli genomen proeven meende te mogen verwachten, werkelijk de kwikkolom in eene barometerbuis, op een aanzienlijke hoogte waargenomen, een lageren stand zou aanwijzen dan een der gelijke kolom aan den voet van den berg gelijktijdig geobserveerd.
Périer verklaarde zich bereid om aan het verzoek van zijnen beroemden zwager te voldoen, doch werd door ambtsbezigheden verhinderd zijn voornemen aanstonds ten uitvoer te brengen, zodat eerst in den nazomer van het volgende jaar het plan tot uitvoering kwam.
Périer verschafte zich twee glazen buizen van omtrent vier voeten lengte en, nadat hij deze met kwik had gevuld, overtuigde hij zich ervan dat beide toestellen, volgens de proef van Torricelli behandeld en naast elkander te Clermont in den tuin van een klooster geplaatst, denzelfden stand van ruim 26 Parijsche duimen aangaven. Vervolgens verzocht hij aan Pater Chastin, die te Clermont bleef, het éne instrument in den loop van den dag gestadig waar te nemen, terwijl hij zelf met vijf ontwikkelde mannen als getuigen met het andere den Puy-de-Dôme tot een aanzienlijke hoogte beklom en werkelijk het gevoelen van Pascal bevestigd vond, daar in den door hem meêgevoerden toestel het kwik nu op een hoogte van ruim 23 duimen bleef staan en dus ongeveer 3 Parijsche duimen lager stond dan te Clermont het geval was.
Om zich nu echter de zekerheid te verschaffen, dat werkelijk de vermindering der luchtdrukking de oorzaak was van het waargenomen verschil in stand, herhaalde hij bij het afdalen zijne waarneming op verschillende hoogten en bevond toen, dat de kwikkolom weder hooger werd naarmate hij met zijne tochtgenoten daalde, en dat eindelijk, toen hij weder beneden was aangekomen, de beide toestellen opnieuw naast elkander geplaatst weder denzelfden stand van 26 duimen aanwezen, terwijl Chastin had waargenomen dat gedurende den loop van het onderzoek het hem toevertrouwde werktuig een onveranderden stand had behouden.
Het is moeilijk om thans, nu barometers in gangen en huiskamers allerwege worden aangetroffen, zich een denkbeeld te maken van den grooten indruk, dien de proefneming van Périer op de geleerde wereld uitoefende. En waarlijk geen wonder! De sedert eeuwen vastgewortelde dwaling, dat de lucht geen gewicht bezat en dat een groot aantal verschijnselen door den benachten horror vacui, d.i. door den afkeer der natuur van het ledige, zouden moeten worden verklaard, werd door de uitkomsten der proefneming van 19 September 1648 voor goed de bodem ingeslagen.
Door het constateeren van de drukking der lucht en het vinden van een eenvoudig middel om deze drukking te meten en de veranderingen die zij ondergaat te bepalen, was een geweldige schrede voorwaarts gedaan op het gebied van de kennis van de dampkring.
Reeds aanstonds dan ook — namelijk van 1649 tot 1651 — werd op aanbeveling van Pascal de barometerstand te Parijs, te Clermont en te Stokholm (door Chanut) geregeld waargenomen, en werd uitgemaakt dat tusschen barometerstanden en windrichtingen een nauw verband moest bestaan.
Ziedaar dus in het midden der 17de eeuw voor het eerst een stelsel toegepast van gelijktijdige waarneming van de luchtdrukking op verschillende plaatsen, een stelsel dat ook thans nog — ruim twee eeuwen later — op meer uitgebreide schaal toegepast, den grondslag vormt van de praktische meteorologie.
Wel is overigens het onderscheid tussen voormaals en thans ook op dit gebied groot: toen gedurende een paar jaren waarnemingen op drie plaatsen in Europa, die nog niet eens gelukkig waren gekozen; thans voortdurend observaties op honderden plaatsen, over de geheele oppervlakte der aarde verdeeld.
En toch eischt de meteorologie meer! Zij kan zich niet tevreden stellen met reeksen van waarnemingen, bijna uitsluitend in de benedenste deelen van den dampkring verricht; voor haar verdere ontwikkeling is het strikt noodig dat zij kennis verkrijge omtrent hetgeen ver boven ons, in de hoogere deelen van den dampkring, gebeurt, m.a.w. de meteorologie vordert niet slechts observatoria in het binnenland en aan de zeekust, niet slechts in het hooge noorden en in het verre zuiden, zij eischt waarnemingsstations boven in den dampkring, op hooge bergtoppen, tot in en boven de wolken!
Aan dien eisch der meteorologie is nog slechts uit den aard der zaak op zeer onvolkomen wijze voldaan, en zij die het geluk hadden in het hooggebergte tochten te ondernemen, zullen zich gemakkelijk kunnen voorstellen waarom tot nu toe meteorologische stations op hooge bergen tot de zeldzame uitzonderingen behooren en nog wel langen tijd zullen blijven behooren.
De redenen hiervan zijn zoowel van materieelen als van moreelen aard. Immers zijn vooreerst de kosten van oprichting en onderhoud van een meteorologisch hoogstation zeer aanzienlijk. Dikwijls moeten, vóór men tot de eigenlijke stichting kan overgaan, over aanzienlijke afstanden wegen worden aangelegd, en onmisbaar moet tevens een rechtstreeksche telegraphische of telephonische verbinding van het station met de bewoonde wereld worden geacht. Welke moeiten en bezwaren echter het aanleggen van wegen en van telegraafleidingen nabij of zelfs boven de sneeuwgrens oplevert, is niet gemakkelijk te overschatten.
Ruime geldmiddelen, uitgebreide kennis en warme toewijding aan de zaak zijn noodig om eene dergelijke onderneming te doen gelukken. En het laatste, de toewijding, is nog veel meer noodig voor hen die zich in het eenmaal opgerichte station vrijwillig als het ware zullen opsluiten, om ook gedurende de wintermaanden, wanneer dikwijls wekenlang alle gemeenschap met de overige mensenwereld is afgebroken, zich bezig te houden met werkzaamheden, welke gestadige aandacht vorderen en menigmaal opoffering van nachtrust eischen.
Waarlijk, er behoort moed toe om zich als Generaal Nansouty op den Pic-du-Midi ten dienste der wetenschap van de wereld af te zonderen!
Het denkbeeld om door middel van observatoria op hooge bergtoppen de wetenschap der meteorologie — en der astronomie — te bevorderen, is het eerst in Frankrijk en in Amerika in toepassing gebracht. Het eerst is de Puy-de-Dôme zelf van een meteorologisch station (1.460 meters boven zee) voorzien, en weldra is daarop de Pic-du-Midi in de Pyreneeën gevolgd (2.877 meters). Ook op den Mont Ventoux (1.960 meters) in de Cottische Alpen en op den Pic de l’Aigual (1.567 meters) in de Cevennes worden geregeld waarnemingen verricht.
Amerika bezit sedert 1873 op den Pike's Peak in het Rotsgebergte Colorado, het allerhoogste, vooral astronomische, doch ook meteorologische station, op eene hoogte boven zee van niet minder dan 4.312 meters, d.i. nog ruim 400 meters hooger dan de Ortler in Tirol.
In Italië werd de zaak vooral door Prof. Tacchini te Palermo bepleit, en er ontstond een station op den Monte Cimone in de Apennijnen (2.162 meters), terwijl dat op den Aetna op 2.900 meters hoogte zijne voltooiing nadert, wanneer althans de laatste geweldige uitbarsting van dien vulkaan geen spaak in ’t wiel heeft gestoken.
In Groot-Brittannië is voor weinige jaren op den Ben-Nevis, den hoogsten berg in de Grampians in Schotland, op 1.343 meters hoogte een uitmuntend ingericht station verrezen. In Zwitserland heeft men een overigens vrij onvolkomen ingericht station op den Säntis (2.500 meters). In Duitschland heeft men gebruik gemaakt van het hotel op den Brocken (1.141 meters), en op den Wendelstein in Zuid-Beieren (1.860 meters) van eene bestaande zogenaamde club-hut. In Oostenrijk eindelijk heeft men den Schafberg bij Ischl (1.776 meters) en den Hoch-Obir in Karinthië (2.047 meters) als meteorologische stations.
Bovenstaande lijst is nu wel niet volledig, maar bevat toch, naar ik meen, de voornaamste thans bestaande hoogstations, waar geregeld meteorologische waarnemingen geschieden.
Thans echter zal daarbij nog een nieuw observatorium worden toegevoegd, en wel op den Sonnblick, een top in den hoofdkam van de centraalketen der Alpen (Hohe Tauern). Dit hoogstation — het hoogste in Europa, 3.103 meters boven zee — verdient eenige oogenblikken onze meer bijzondere aandacht.
Wanneer men op de schoone, aan afwisselend natuurschoon zoo overrijke Giselabaan van Salzburg naar Wörgl spoort, komt men voorbij eene halte, waar slechts enkele treinen stoppen en welke slechts dient om de toeristen op gemakkelijke wijze in de gelegenheid te stellen om aan de beroemde Kitzloch-klamm een bezoek te brengen, een door de Rauriser Ache uitgespoelde kloof, welke sedert 1877 door middel van kunstig aangelegde wegen, ladders, bruggen en tunnels begaanbaar is gemaakt.
Door deze hoogst bezienswaardige Klamm voert onze weg ons naar het vriendelijke Rauris, waar wij ons bij Schernthaner im Brau restaureeren, om vervolgens onzen tocht naar Wörth voort te zetten. Hier verdeelt zich het dal in tweeën; aan den rechterkant ligt het Seitenwinkelthal, aan de linkerzijde het Hüttenwinkelthal voor ons.
Wij betreden het laatste, bereiken na een uur wandelens Bucheben, waarna weldra de rijweg ophoudt, doch een “Saumweg” ons in zigzag na drie uur stijgens naar Kolm-Saigurn brengt, waar wij reeds eene hoogte van 1.597 meters boven zee hebben bereikt. Kolm-Saigurn is ontstaan door den mijnbouw, die sedert eeuwen hoog boven in het gebergte wordt gedreven: het gedeelte van de bergketen dat nu voor ons steil oprijst, heet dan ook de Goldberggruppe.
Van hier kunt gij in twee uren of in minder dan een kwartier den “Neubau” bereiken, 580 meters hooger gelegen dan het punt waar gij u thans bevindt. Hebt gij haast en zijt gij niet licht duizelig, vertrouw u dan aan den „Aufzug” toe, die u tot aan het machinehuis bij de oude Gletschertong zal voeren, waar een kolossaal rad, door het gletschersmeltwater gedreven, u verklaart door welke geheimzinnige kracht gij zonder moeite zoo hoog gestegen zijt.
Doch nog altijd zijt gij niet bij den ingang der mijnen — nog een half uurtje stijgens brengt u naar het “Knappenhaus” (2.341 meters), op eene moraine aan den rand van den Goldberggletscher gelegen.
Zijn nu uwe wenschen niet te hoog gespannen en zijt gij niet al te zeer verwend door het comfortabele logies in “het Österreichischer Hof” of “Hotel Nelböck” te Salzburg, dan zou ik u raden hier te overnachten, om den volgenden morgen met frisse krachten de verdere bestijging van den Sonnblick te verrichten; immers, hoeveel we ook reeds hebben geklommen, het lastigste en vermoeiendste van onze taak ligt nog voor ons.
En nu gaat het weder voorwaarts en opwaarts, nu eens over sneeuw en ijs, dan weder over rots en puin. Drie boven elkander liggende gletscherterrassen moeten worden overwonnen, voor wij eindelijk den top hebben bereikt. En toch, hoe bezwaarlijk of ons, bewoners der vlakte, deze bestijging ook schijne, toch is zij kinderspel bij de moeilijkheden, die de beklimming van de meeste andere even hooge bergtoppen in den weg staan.
Van alle toppen, die tot de Goldberggroep behooren, is de Sonnblick verreweg het gemakkelijkst te bestijgen. En ook in andere opzichten munt onze berg boven zijne naburen uit; geheel geïsoleerd staat hij daar en verheft zich met nagenoeg loodrechte, wild gespleten wanden nagenoeg 1.000 meters boven het met ijs en rotspuin gevulde Meer van Pilatus. Onbeperkt is het vergezicht in de hooge Alpenwereld en vooral de beroemde groep van den Glockner vertoont zich hier in hare volle majesteit. Juist op de waterscheiding van de Drave en de Donau gelegen, zou bezwaarlijk een meer geschikt punt voor een meteorologisch hoogstation kunnen worden gevonden.
Het observatorium is ten dele uit steen opgebouwd, doch voor een ander gedeelte uit hout opgetrokken. Volgens het plan wordt het gebouw aan de westzijde door eenen stevigen, ongeveer 12 meters hoogen toren geflankeerd, waarvan de onderste verdieping een achtkant vormt met zeer dikke muren, terwijl de bovenste étage daarentegen een ronde gedaante heeft. Ter plaatse waar het achtkant in den cirkelvorm overgaat, is een ruime galerij aangebracht, waarvan het uitzicht allerprachtigst moet zijn. Boven op het dak van den toren is de windvaan en de anemometer opgesteld, terwijl in een vensteropening der bovenste verdieping de zelfregistreerende instrumenten voor temperatuur en vochtigheidstoestand der lucht zullen worden geplaatst.
Aan genoemden toren grenst de voorraadkamer, welke eveneens van steen is gebouwd, terwijl de twee zich daar nog bij aansluitende ruimten van hout zijn opgetrokken en door hun bouw aan een Amerikaansch blokhuis herinneren. Het éene vertrek is voor den eigenlijken waarnemer bestemd, het tweede dient als bergplaats voor instrumenten en zal bovendien aan geleerden, die voor korteren of langeren tijd hier astronomische, physische of meteorologische onderzoekingen willen komen verrichten, daartoe een welkome en uitstekende gelegenheid aanbieden. Ook de ruimte onder het dak is in drie afdeelingen verdeeld en zal in den zomer tot herberging van toeristen kunnen en mogen worden gebruikt.
Het geheele observatorium staat op een onderlaag van granietblokken, waartoe het voortreffelijkste bouwmateriaal, dat men zich denken kan, door den bergtop zelf in overvloed wordt geleverd. Het blokhuis en het dak zijn in den loop van den winter 1885—86 te Kolm-Saigurn gebouwd, vervolgens weder uit elkander genomen en in het voorjaar stuksgewijze naar den top vervoerd. Dit kon, wat het eerste gedeelte van den weg betreft, door den reeds genoemden “Aufzug” worden bewerkstelligd, doch overigens moest alles drie uren ver, over den Goldberggletscher en het omringende rotsige terrein, door menschen naar boven worden getrokken of gedragen. Gelukkig, waarlijk, dat dit althans niet met de steenen voor den bouw het geval was: zooals reeds gezegd werd, vindt men bouwsteenen in overvloed op den top.
Het nieuwe hoogstation op den Sonnblick is eene stichting van het Oostenrijksche Meteorologische Genootschap, doch zeer zeker zou de stichting nog zeer lang op zich hebben doen wachten, ook misschien nimmer tot stand zijn gekomen zonder de krachtdadige hulp van den tegenwoordigen eigenaar der mijnen aan de voet van den Goldberggletscher, den intelligenten Rojacher.
Rojacher is een merkwaardig man. Toen voor eenige jaren de Oostenrijksche Staat den mijnbouw bij den Goldberggletscher deed staken, omdat de kosten van exploitatie en van vervoer niet lang door de opbrengst schenen te kunnen worden gedekt, had Rojacher den moed om de zaak in handen te nemen: hij verbeterde de tot nu toe vrij gebrekkige machineriën en wist in het algemeen, ofschoon hij volstrekt geene wetenschappelijke of technische opleiding had genoten, met scherpen blik de meest geschikte wegen te kiezen om zijn doel te bereiken.
Om een enkel voorbeeld te noemen, waaruit blijken kan wat man Rojacher — de vroegere schrijnwerker — is, dient dat hij terstond na de uitvinding van den telephoon en van het gloeilicht beide nieuwigheden met het beste gevolg op zijne werken toepaste: telephonen op meer dan 2.000 meters boven den zeespiegel en gloeilampen in goudmijnen door gletscherwater ontstoken en gevoed!
Juist de omstandigheid dat een man als Rojacher zich met volle energie voor de zaak interesseerde, heeft de stichting van het meteorologisch hoogstation op den Sonnblick mogelijk gemaakt.
Twee moeilijke dingen blijven, naar ik uit de voor mij liggende bescheiden meen te moeten opmaken, nog te doen over. Ten eerste moet er eene telephonische geleiding van den Sonnblick tot aan Kolm-Saigurn worden aangelegd. Gewone telephoondraden op palen geplaatst zijn in dit geval onbruikbaar. Sneeuw en storm, vorst en ijzel zouden zeer zeker in korten tijd eene dergelijke verbinding telkens weder verstoren.
Ten tweede moet het station op zoo uitstekend mogelijke wijze tegen den bliksem worden beveiligd. Wel is waar komen op de afbeelding drie bliksemafleiders voor, doch de onontbeerlijke grondgeleiding is door het ontbreken van wellen of grondwater in de nabijheid van het station zeer moeilijk aan te brengen.
Rojacher echter meent ook deze bezwaren gemakkelijk te zullen overwinnen; reeds heeft hij wat den afleider betreft het denkbeeld geopperd om in een der omringende gletschers eene plek te zoeken, die het geheele jaar vochtig blijft, en dan daardoor, zij het ook door eene vrij lange geleiding, de eigenlijke elektrische verbinding met de aarde te verkrijgen.