Zoals gister op het forum ook besproken. KNMI vindt dit met name mogelijk na de 6e als de sneeuwlaag te langzaam wegsmelt. Het is echter sowieso vrij onvoorspelbaar met alle rondtollende laagjes. Met weinig stroming zouden die dagen alsnog fris kunnen verlopen. Door de oogharen zie ik ook wel een zuidelijke jet met laagjes die onderdoor trekken (zwakke, zuidelijke WC) - ook benoemd in de guidance beneden.
Tot ongeveer 5 januari is het grootschalige stromingspatroon eenduidig. Wij bevinden ons in koude maritiem polaire lucht met winterse buien. Er is echter een aanzienlijke onzekerheid vanwege kleinschalige storingen (troggen, polar lows) die aan de westflank van het laag over de Noordzee zuid- en bij Nederland zuidoostwaarts trekken. Tot en met 5 januari is er redelijke (ongeveer 40%) kans op sneeuw van betekenis (dwz 3 cm of meer/etmaal), maar de onzekerheid waar en wanneer de meeste sneeuw valt is groot. Vooralsnog is de kans op 3 januari het grootst. In de hogere delen in het midden en oosten (stuwwallen) en in het zuiden van Limburg is de kans op sneeuw die langer dan een halve dag blijft liggen het grootst. Aan de kust is de neerslagintensiteit duidelijk groter dan verder landinwaarts, dus ook daar kan sneeuw van betekenis vallen. De maximumtemperatuur is sterk afhankelijk van de sterkte van de aanlandige stromingscomponent, aan de kust wordt het 3-5 °C maar landinwaarts kan de temperatuur bij een sneeuwlaag dichtbij nul blijven. Overigens moet wel worden opgemerkt dat sneeuw in het EC-model te makkelijk blijft liggen. Vanaf 6 januari is de voorspelbaarheid laag. De algemene tendens is naar een westelijke stroming, maar de spreiding in de ligging van de afzonderlijke druksystemen is groot. Er blijft, gezien de neerslagkans (circa 50%) een aanzienlijke lagedrukinvloed. Wanneer lagedrukgebieden ten zuiden of oosten van Nederland trekken verkeren we in koude lucht zodat sneeuw mogelijk blijft. De kans daarop is ongeveer 30%. De temperatuurverdeling blijft na 6 januari aan de koude kant. Mogelijk is er een (sterk) negatieve bias als gevolg van het te langzaam smelten van een sneeuwlaag in het EC-model.