Mochten we geboren zijn in een streek waar winterweer een zekerheid was,
waar sneeuw elk jaar trouw zijn afspraak nakomt
en kou nooit iets is om naar te verlangen,
dan hadden we er waarschijnlijk nooit van gehouden.
De mens verlangt zelden naar wat vanzelfsprekend is.
Wat altijd aanwezig is, wordt achtergrond,
ruis in het leven, iets om over te klagen
in plaats van om te koesteren.
Hier, waar de winter ons telkens weer belooft
maar zelden echt komt,
leren we wachten.
Kijken naar kaarten, naar wolken, naar modellen,
en vooral: hopen.
Elke vlok wordt een gebeurtenis,
elke vorstnacht een klein mirakel.
De zeldzaamheid maakt het kostbaar,
het gemis voedt de liefde.
Misschien is dat wel de essentie van verlangen:
niet het hebben, maar het bijna.
Niet de zekerheid, maar de kans.
En zo blijven we winterliefhebbers
net omdat hij ons zo vaak voorbijgaat,
ons telkens weer laat dromen
van hoe het had kunnen zijn.