Vorige week stond ik op het punt de handdoek in de ring te gooien. Ik overwoog ernstig om het te proberen: mezelf aan te leren dat verlangen naar een sneeuwdek en bijtende vorst zinloos is in deze contreien. Om het los te laten, zoals men zegt dat je dat met onrealistische dromen moet doen.
Maar verlangen laat zich niet temmen. Het nestelt zich stil in je, zwijgt even, en ontwaakt bij de kleinste aanleiding. Een heldere nacht. Een kaart waarop het blauw net iets te ver naar het westen schuift. De belofte van stilte, van een wereld die even wordt toegedekt en vertraagd.
En toch is er die hoop. Dat we bij een volgende poging wél eens aan de buurt komen. Dat de hoofdprijs niet opnieuw aan ons voorbijgaat, maar eindelijk voor ons is weggelegd. Want ik weet, uit het verleden, dat het ook hier mogelijk is—dat zelfs deze streek zich soms laat verrassen door winter in zijn volste gedaante.