Lente-leven
De wind blies dagen lang uit 't noord;
't Was voor April zeer koud.
De madeliefjes doken weg;
Zwart werd het groen aan struik en heg;
Geen loover kwam aan 't hout.
Geen vocht was in den tuin te zien;
Het droogde steen en been;
Het stof vloog dwarrelend in het rond;
Slechts nu en dan viel op den grond
Een koude hagelsteen.
Maar op een Zondagmorgen keek
De torenhaan naar 't west;
De regen daalde zachtkens neer,
En was 't nu ook geen uitgaansweer,
't Was toch voor alles best.
Nu kijkt de blanke torenhaan
Den heelen dag naar 't zuid.
Het zonlicht werpt zijn stralen rond,
En uit den goed doorweekten grond
Spruit lenteleven uit.
176. Lente-leven., Alles zingt, Pieter Louwerse - DBNL