Mooi verslag Peter, ik kan me voorstellen dat het indruk heeft gemaakt!
Ik heb iets soortgelijks meegemaakt op zaterdag 29 juli 2000. Het heeft toen 6 uren achtereen geonweerd en dat in een polaire luchtsoort! De afzonderlijke cellen vervingen elkaar constant op dezelfde plaats. Ik had gelukkig wel een camcorder en die opnamen behoren nog altijd tot de indrukwekkendste die ik heb gemaakt van nabije inslagen.
Een verlagje van die dag:
Op zaterdag 29 juli 2000 ontwikkelden in korte tijd aan het eind van de ochtend zeer aktieve onweersbuien. De achterzijde had een kustparallele vorm en was vrijwel stationair, waardoor in deze band in Utrecht en Brabant lokaal 30-50 mm neerslag viel met veel ontladingen.
Meest opmerkelijke zaken:
- Grote lokale neerslaghoeveelheden en grote verschillen hierbij over korte afstand, goed verklaarbaar door de geringe verplaatsingssnelheid en hoge mate van onstabiliteit.
- Goede indicatie voor een redelijke neerslagschatting uit de PW-index (precipitabel water) van de ballonoplatingen, lokaal verdubbeld door nieuwe buiengroei.
- Brede opklaringen tussen kust en buien met temperaturen boven de convectiedrempel, maar met minieme cumulusvormning, aan de achterzijde van de buienlijn opglijdend tegen de buien-uitstroom en daarmee nieuwe buien opbouwend. Hierdoor een vrijwel stationaire buienlijn in de lijn Flevoland-west Brabant.
- Slechte modelindicaties van de huidige beschikbare weerkamermodellen.
Opvallend was de stationaire lijnvorm van de westkant van de buienlijn Flevoland-WestBrabant, maar ook in Overijssel, met zuidoostwaartse uitbreiding van cellen zeer brede opklaringen in het westen. Een verklaring hiervoor is het ontstaan van een urenlange evenwichtsituatie de inflow/updraft van aangewarmde lucht tegen de koele outflow/achterkant van de buien. Met een westenwind tussen 10 en 15 knopen in de grenslaag warmt de lucht aan in een brede opklaringsstrook van 25-30 kilometer breedte en glijdt daarna op tegen de koele (rond 15-17 graden) outflow-achterzijde van de buien. De achtergrondstroming op de buien (700 hPa) was NW 10 knopen, zodat de convectiegroei aan de achterzijde in evenwicht kon blijven met de drift van de buien. Gelet op de groei- en aanvoersnelheid is de gemiddelde stijgcomponent in de buiengroei in de ordegrootte van 12 km. in 30 min. (5-10 m/s) geweest, waarbij in de maximale stijgcellen in de bui (boven 3 km, bij de grootste thermische verschillen met de omgeving) dit misschien wel oploopt naar een ordegrootte van 25 m/s. De neerslag viel vrijwel loodrecht naar beneden zonder noemenswaardige windstoten, de outflow-achterzijde bleef dicht bij de buien. De buientrigger werd nog wat versterkt door de passage van een zwakke trog op het bereiken van de convectietemperatuur. Dit evenwicht stopte tegen de namiddag door afnemende aanvoer van warme lucht, de buienlijn loste op.
Quote selectie