Op zo'n zonnige zomerdag als vandaag, om te zien hoe warm het kan worden, is het handig om te kijken hoe de warmtestromen opgebouwd zijn. Dit doe ik aan de hand van gegevens van de meetlocatie Veenkampen van de Wageningen Universiteit. Ik heb gisteren (25 juni 2026) vergeleken met 25 juli 2019, om te zien wat het uitmaakt dat de bodem nu veel minder droog is, dan zeven jaar geleden.
Eerst even wat theorie: vanwege de wet van behoud van energie moet de netto straling afkomstig uit de atmosfeer (zonnestraling en infrarode straling), gelijk zijn aan de netto straling van de oppervlaktewarmtestromen. Dat wil zeggen:
Netto zonnestraling + netto infrarode straling = latente warmestroom + voelbare warmtestroom + bodemwarmtestroom
We focussen ons even op de rechterkant van de vergelijking, en voor het gemak heb ik de bodemwarmtestroom (hoeveel energie de bodem ingaat of de bodem verlaat) buiten beschouwing gelaten. We kijken dus alleen naar de latente warmtestroom (hoeveel energie er gaat zitten in verdamping en condensatie) en de voelbare warmtestroom (onttrekking of afgifte van warmte aan de lucht). Hiervan staan onderaan dit bericht de grafieken.
In de grafiek van de latente warmtestroom is te zien dat die in 2019 midden op de dag duidelijk lager was dan gisteren. Kijken we naar de grafiek van de voelbare warmtestroom, die dus effectief weergeeft hoeveel energie naar opwarming van de lucht gaat, dan is die in 2019 juist hoger dan gisteren.
Gemiddeld tussen 10.00 en 18.00 uur was de voelbare warmtestroom gisteren 47 W/m2 lager dan in 2019, terwijl de latente warmtestroom 43 W/m2 hoger was. Het restverschil zit in de bodemwarmtestroom. Dit bevestigt dat in 2019 (los van iets warmere bovenlucht) de lucht ook sterker kon opwarmen, omdat er beduidend minder vocht was om te verdampen.
Gr. Ben