winter in de VS 12 keer hoger is dan extra doden door hitte in de zomer.
Ik kan me niet voorstellen dat in een van de koudste winters in Nederland het aantal extra doden veel minder is.
In Nederland en andere gematigde klimaten is het aantal overlijdens in de winter doorgaans hoger dan in de zomer. Dit wordt oversterfte genoemd. Hoewel kou direct kan leiden tot bevriezing of onderkoeling, hangen de meeste extra winterdoden samen met de indirecte gevolgen van koud weer. [1, 2]Onderzoek wijst uit dat koude-gerelateerde sterfte wereldwijd aanzienlijk hoger is dan hitte-gerelateerde sterfte. De belangrijkste doodsoorzaken in de winter zijn: [1, 2]
- Hart- en vaatziekten: Kou zorgt ervoor dat bloedvaten vernauwen, wat de bloeddruk verhoogt en kan leiden tot hartaanvallen of beroertes.
- Luchtwegaandoeningen: Virussen zoals griep en corona verspreiden zich sneller omdat mensen meer binnen zitten in vaak slecht geventileerde ruimtes. Dit is extra gevaarlijk voor ouderen en mensen met aandoeningen zoals COPD. [1]
De omvang van de extra sterfte verschilt sterk per jaar. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) houden de wekelijkse sterftecijfers nauwlettend in de gaten om deze schommelingen in kaart te brengen. De actuele cijfers voor uw regio kunt u bekijken via het
Ik heb een onderzoek gelezen, en naar ik dacht opgeslagen, door Frans van Poppel van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI). Helaas kan ik het origineel niet meer terug vinden. Ik kan het ook niet downloaden van de website van het NIDI, hoewel het daarop wel genoemd wordt.
De tekst, zonder grafieken en tabellen is nog wel te vinden op de site van "Ander Tijden" over de winter van 63. Daaruit blijkt, dat er zeker oversterfte is geweest, maar in Nederland minder vergeleken met andere Europese landen. Oversterfte is er vooral geweest bij de groep 70+, ongeveer 20 tot 25% dan gemiddeld in de koude maanden. Hij schrijft verder dat opvalt, dat het aantal doden door verkeersongevallen 40 tot 60 % minder was.
Helaas ontbreken tabellen en grafieken, waardoor een aantal getallen ontbreekt. Mijn conclusie is dat er oversterfte was met daarnaast ondersterfte. Die ondersterfte bij verkeersongevallen moet enkele honderden geweest zijn als we uitgaan van 1000 per jaar (het juiste cijfer zou na te zoeken moeten zijn).
Verder dan bovenstaande kom ik niet, zo lang ik het originele onderzoek niet terug gevonden heb. Hieronder de tekst zoals die op de site van "Andere Tijden " staat.
----
Wintersterfte
Koude cijfers
Op verzoek van Andere Tijden heeft Frans van Poppel van het NIDI (Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut) berekend of er in de winter van 1963 sprake is van een hogere sterfte dan in andere winters. Een van de conclusies is dat er een opmerkelijk hogere sterfte is te vinden in de leeftijdsgroep 70+. In de maanden januari en februari van 1963 is er sprake van sterfte die 20 tot 25 procent hoger ligt dan gemiddeld in deze koude maanden het geval is.
Een uitgebreide analyse kunt u hieronder lezen.
Vergeleken met andere Europese landen is de oversterfte in de winter (daaronder verstaan we het relatief grotere aantal sterfgevallen in de maanden december tot en met maart vergeleken met de zomerperiode) relatief gering. In de periode 1953-1988 is de oversterfte in Nederland ook sterk afgenomen. De grootste daling van de oversterfte was zichtbaar bij de 80-plussers. Sedert 1975 is de sterfte in de winter onder personen jonger dan 65 jaar niet significant hoger meer dan buiten het winterseizoen. Een belangrijk deel van de hogere sterfte in de winter is veroorzaakt door een stijging van de sterfte aan cardiovasculaire en respiratoire aandoeningen. De daling in de oversterfte in de loop der tijd heeft zich bij alle doodsoorzaken voorgedaan. Schattingen van de hoogte van de winteroversterfte op basis van een statistisch model wijzen uit dat in de periode 1953-1988 de oversterfte in de winter van 1962-1963 het hoogste was.
Als oorzaken van de daling van de oversterfte worden gesuggereerd: de verminderde mate van blootstelling aan kou binnenshuis: verbetering van woonomstandigheden (aansluiting op gas, vermindering van aantal personen per woning, betere constructie van huizen) terwijl de effecten van de voorheen zo belangrijke langdurige blootstelling aan kou buitenshuis zijn verminderd door verbetering van kleding, schoeisel, arbeidsomstandigheden en transport (zoals vermindering agrarische werkgelegenheid, autobezit). Omdat de oversterfte in de maanden februari en maart sterker is gedaald dan die in december en januari is het aannemelijk dat vooral vertraagde of blijvende gevolgen van de winterkou minder effect hebben dan vroeger: te denken valt aan opraken van brandstof, vermindering van voedselkwaliteit, vermindering van immunologische weerstand en toenemende stress. De toegenomen welstand en de totstandkoming van de welvaartsstaat hebben op al deze mechanismen invloed gehad.
Eigen berekeningen
Figuur 1 (zie hiervoor de link onder aan de pagina) geeft voor de gehele periode 1959-1966 een beeld van de maandelijkse sterfte onder 60-69 en 70-79 –jarigen en onder 80-plussers. Er is duidelijk een stijging van de sterfte te zien in de winter van 1962-1963, een stijging die ook hoger is dan in vorige en latere winters. Voor de jongeren is er nauwelijks een verhoogde sterfte waarneembaar (zie figuren 2, 3, 4).
Figuur 5 toont de aantallen overledenen per leeftijdsgroep in de wintermaanden van 1962-1963 ten opzichte van het gemiddelde voor de betreffende maanden in de jaren 1956-1966. Er is sprake van een sterfte die in de maanden januari en februari 1963 in de leeftijdsgroepen 70-79 jaar en 80+, 20 tot 25 procent hoger ligt dan gemiddeld in deze koude maanden het geval is. In maart en december is niets van oversterfte te merken en op de jongere leeftijden blijft ook in januari en februari de schade binnen de perken.
Worden de oorzaken van overlijden in enkele groepen samengevoegd en beperken we ons tot de leeftijden boven de 60 en daarbinnen tot die doodsoorzaken die in januari gemiddeld minimaal 100 sterfgevallen kenden (uitschakeling toevalsfluctuatie) dan kunnen we nagaan aan welke doodsoorzaak naar verhouding meer personen stierven in de winter van 1963 dan in andere januarimaanden. Het cijfer is een verhoudingscijfer: het aantal doden in januari 1963 gedeeld door het gemiddelde van 1960-1966. Cijfers boven 1.00 wijzen op oversterfte vergeleken met het gemiddelde van andere jaren, cijfers daar onder op lagere sterfte. Ik heb in figuur 6 enkele minder zeggende groepen (diabetes, andere ziekten) niet opgenomen ter wille van de leesbaarheid.
Wat valt op? Ten eerste dat de verkeersongevallen zeer sterk zijn teruggelopen (40 tot bijna 60% minder dan gemiddeld). Andere externe oorzaken (hieronder valt bijv. verdrinking maar ook val etc.) zijn zeer sterk toegenomen. Kanker geeft geen verschil (dus geen hogere tol onder mensen die door ziekte of ouderdom al verzwakt zijn en toch spoedig zouden overlijden). Een duidelijk hogere sterfte aan hart- en vaatziekten en aan cerebrovasculaire aandoeningen. Ziekten van de ademhalingsorganen (longontsteking en cara) geeft een zeer hoge oversterfte; meer dan 35 procent in de hoogste leeftijdsgroepen.
Blootstelling aan ongunstige temperaturen kan de gezondheid onder meer beïnvloeden via thermosfysiologische aanpassingen van het lichaam, welke leiden tot een belasting van het hart- en vaatstelsel (toename in bloeddruk, hartslag en bloedviscositeit) een aan samentrekking van de luchtpijp bij inademing van koude lucht. Een toename van respiratoire infecties kan ook gevolg zijn van het feit dat de verspreiding van virussen tijdens koude wordt bespoedigd doordat men vaker binnen blijft, meer bij elkaar zit en de huizen minder goed ventileert.
Tekst en onderzoek: Frans van Poppel, Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI)