Beste forummers,
misschien dat sommigen dit interview al gelezen hebben, maar ik wou em toch even posten om de opvattingen van de beste Belgische weerman aan al de forummers kenbaar te maken. Zitten een aantal interessante passages tussen:
"Humo sprak met Armand Pien
(Humo 2436 - 14 mei 1987)
deel 1
Een paar jaar geleden, toen het maar niet wilde ophouden met zomeren, werd Armand Pien met vakantie aan de Belgische kust vanop de overvolle terrasjes nageroepen: ‘Proficiat Armand!’ Mensen willen de weerman wel eens verwarren met de weermaker.
Armand Pien: ‘Ik ben 34 jaar de BRT-weerman geweest. Daardoor is er in het hoofd van de mensen zoiets als 'Pien = weer.’
HUMO: Zelfs kustburgemeesters hebben u ooit hoogstpersoonlijk verantwoordelijk gesteld voor een slecht seizoen aan de kust.
Pien: En daar was ik blij om. Alle mensen in het binnenland zegden altijd dat Pien in de zomer elk weekend goed weer voorspelde om de mensen naar de kust te lokken, waarmee ik de hoteliers een plezier wou doen. En toen schreef die kustburgemeester — het was er maar één — die niet altijd Content was, een artikel waarin hij er mij van beschuldigde dat ik de mensen in het binnenland vasthield door slecht weer in het weekend te voorspeüen. Dus dat bewijst toch wel dat ik altijd objectief was.
HUMO: Heeft men ooit geprobeerd druk op u uit te oefenen om het weer mooier te maken dan het zou zijn?
Pien: Nooit, in mijn hele leven is dat nooit gebeurd. Wel heb ik klachten gekregen van mensen die zwaar ontgoocheld waren doordat ik mooi weer had voorspeld en ze in de regen zaten. Maar bij weersvoorspellingen zitten we nog altijd maar met een nauwkeurigheidsgraad van 80%. Ik mag me dus één keer op vijf dagen vergissen zonder een slechte weersvoorspeller te zijn.
HUMO: U bent wiskundige van opleiding. Is het voor iemand die voor de exacte wetenschappen gekozen heeft niet erg frustrerend om terecht te komen in een vak dat zoveel foute uitkomsten geeft?
Pien: Ik zit in een vak dat geen honderd procent nauwkeurigheid geeft, dat weet elke TV-kijker (lacht); maar als ik terugkijk op vierendertig jaar als weersvoorspeller, dan zie ik dat die graad van nauwkeurigheid geweldig is verbeterd. Toen ik in '53 als weerman bij de televisie begon waren we al heel tevreden als we in 60 a 65% van de gevallen het weer van de volgende 24 uren correct hadden voorspeld. En als we twee dagen vooruit goed zaten waren we héél tevreden. Als je dat vandaag de dag bekijkt zitten we in 80 à 85% van de gevallen juist voor de volgende 24 uren en is de nauwkeurigheidsgraad over een periode van zes dagen van 0 tot 80% gestegen. Dat is enorm.
HUMO: Zijn er momenten geweest waarop die betrouwbaarheid met een grote sprong ïs vooruitgegaan?
Pien: Er zijn twee grote sprongen gemaakt. De eerste was de start van de ruimtevaart op 4 oktober '57 met Spoetnik I. Op 1 april 1960, dus al heel vroeg in de ruimtevaartgeschiedenis, werd de Tiros, de eerste Amerikaanse weersatelliet gelanceerd. De Sovjet-Unie volgde pas zes jaar later. De reden waarom Amerika wel en de Sovjet-Unie er geen belangstelling voor hadden, is dat Amerika te lijden heeft van hurricanes, tropische cyclonen die een verwoestend spoor achterlaten. De Sovjet-Unie kent dat verschijnsel niet, want daar heerst een continentaal klimaat. Voor 1 april 1960 beschikten we alleen over waarnemingen van zes metereologische schepen — nu zijn het er nog drie — en kregen we informatie doorgespeeld van alle schepen die de Atlantische oceaan bevaarden. Uit die gegevens probeerden we door interpolatie het weer voor West-Europa te berekenen. Maar de oceaan is groot en er zaten veel blanco gebieden bij. Door de grote leemten in onze informatie konden we het op honderd kilometer na niet correct voorspellen.
Maar door de wolkenfoto's die de weersatellieten maaken zagen we het weer. Ze toonden ons duidelijk de positie van de regengebieden of de sneeuwgebieden. Doordat we de juiste positie kenden werd het voor ons iets makkelijker om te interpoleren wat er zal gebeuren als die gebieden Europa aandoen. Dus dat was de eerste grote verbetering.
De tweede grote stap ligt in het verlengde van de ruimtevaart. Want ruimtevaart betekent electronica, computers, chips. En in de jaren zestig werd een Europees Centrum voor weersvoorspellingen op middenlange termijn opgericht in Reading bij Londen, waar men met behulp van die moderne technologieën is beginnen werken aan weersvoorspellingen eerst voor drie, daarna vier dagen en nu zitten we aan zeven. Sinds een paar jaar staat het KMI als instelling in dit land rechtstreeks in verbinding met Reading. Twee keer per dag krijgen we daaruit weerkaarten waarop berekend is wààr de zonnige perioden zitten, wààr de opstapeling van neerslag zich voordoet. Sinds '82 heb ik die zevendagen-voorspellingen in mijn weerpraatje verwerkt, een primeur voor de BRT want achteraf zijn de andere zenders gevolgd.
HUMO: In vergelijking met vroeger doet het werk zich nu vanzelf?
Pien: Helemaal niet. Voor het interpreteren van de gegevens heb je nog altijd wetenschappelijk geschoolde voorspellers nodig. Want bekijk zo'n weerkaart. Wat betekent ons land daarop? Het topje van mijn wijsvinger. We zijn verplicht die kaarten om de zes uur te volgen om de voorspellingen zo secuur mogelijk te doen.
HUMO: U kunt de gegevens nog altijd niet in een computer intikken, die de voorspelling dan zelf selecteert?
Pien: Nee, we krijgen geen klaargestoomd weerbericht binnen. Wat we wél krijgen zijn veel betere hulpmiddelen, waardoor we vrij keurig het weer voor de komende zeven dagen kunnen afleiden. Op dit moment zijn die zeven dagen de limiet maar in de jaren ’90 moeten we tot tien dagen komen met een nauwkeurigheidsgraad van 80 à 90 procent. Die periode van tien dagen is niet zomaar een droom van meteorologen. Het is de peride die vooropgesteld wordt in verband met de landbouw. De boeren zouden er heel wat mee geholpen zijn als ze het weer tien dagen vooruit kenden, zodat ze de nodige voorzorgsmaatregelen zouden kunnen treffen. Die tien dagen halen we wel, denk ik. .En tegen het jaar 2000 zullen we het weer veertien dagen van te voren kunnen voorspellen, maar verder geraken we deze eeuw niet.
HUMO: Toen u als groentje het vak nog moest leren, werden er toen bij het KMI nog onorthodoxe middelen gebruikt om die leemten op te vullen?
Pien: Er is iets eigenaardigs met weer voorspellen. Het is iets als zwemmen of fietsen. Je kan het of je kan het niet. Er zijn hier mensen uit de wetenschappelijke wereld aanbeland die nooit weersvoorspeller kunnen worden, omdat ze te teoretisch zijn ingesteld en geen zin voor interpretatie hebben. Vroeger meer dan vandaag speelden feeling en ondervinding een grote rol. Het gebeurt niet zelden dat, als ik bepaalde weerstoestanden zie, ik zo in mijn geheugen kan teruggrijpen en herkenbare aanknopingspunten in het verleden terugvind. En dan gebeurt het dat ik tegen jonge collega's zeg: ‘Zeg nu niet dat het gaat dooien, al lijkt het erop, want een soortgelijke situatie heb ik vroeger meegemaakt en toen heb ik mijn vinger tot aan mijn elleboog in mijn oog gestoken door dooi te voorspellen.’
HUMO: Er is me verteld dat bij het KMI ooit werd gewerkt met kikkertjes die via een laddertje uit hun bokaal omhoog kropen als het ging regenen.
Pien: Néénéénéé! Er is hier wel eens een journalist geweest die een bokaal met een laddertje en een kikker bij zich had waarmee ik op de foto moest (lacht). Misschien komt het verhaal daar vandaan. Trouwens, kikkers helpen je niet verder met je voorspellingen, want ze reageren op het weer van het moment zelf, niet op de toekomst.
HUMO: Hoe komt het dat we ondanks al die moderne apparatuur nog altijd berichten krijgen als ‘het kan vriezen en het kan dooien’?
Pien: Niet alleen leven we in een heel klein landje, maar in dat kleine land hebben we ook nog eens drie klimaten. Het zeeklimaat voor de kust en Brugge/Veurne. Het gewijzigd zeeklimaat, dat reikt tot Samber en Maas. En het gewijzigd continentaal klimaat van onze Ardennen. Tussen de kust en de Ardennen kun je op temperatuurgebied al zeker tien graden verschil hebben, wat enorm is voor een klein land als het onze. En ga je kijken naar de temperaturen aan de grond, dan kan er tussen de kust en de Ardennen twintig graden verschil zitten. Je kan ook heel verschillende weertypen hebben. In de winter van '87 bijvoorbeeld hebben we vier winteroffensieven gehad. Siberische koude in januari, een gewone koudegolf in februari, een sneeuwperiode in februari en in maart een periode van droge koude. Als je dan kijkt waar de sneeuw gevallen is, dan hebben de mensen in West-Vlaanderen tot maart geen vlokje sneeuw gezien, terwijl men in Brabant en Limburg op een bepaald moment nauwelijks met de auto kon rijden. Dat kunnen de Westvlamingen zich onmogelijk voorstellen. Dus als je ziet welke verschillen er op een klein gebied kunnen voorkomen, kun je ook begrijpen dat het moeilijk is om ergens de grens te trekken tussen hier dooit het en daar vriest het.
Nog een ander voorbeeld van de grote weersverschillen. Aan de kust valt er 650 mm neerslag per jaar, in de Ardennen is dat 1200 mm, terwijl wij in Midden-België daar ergens tussenin liggen met 780 mm. Als je het aantal uren zonneschijn bekijkt krijg je 1700 uren zon per jaar aan de kust tegenover 1500 uren zon in het binnenland. Dat staat in al onze statistieken, te beginnen van 1833 tot nu. We zijn dus verplicht een soort gemiddeld weerbericht te geven dat geldt voor Ukkel, wat ongeveer halfweg ligt tussen de kust en de Ardennen. Maar al zijn de voorspellingen voor ons land erg moeilijk, op weergebied hebben we een gunstige ligging. Onze zomers zijn nooit te warm en onze winters nooit te koud. In feite hebben we zelden goede zomers. Statistisch hebben we om de tien jaar een goede. En in honderd jaar heeft ons land maar veertig echte winters gehad, ik bedoel winters dat je kan schaatsen. Het gekke is dat telkens twee of drie strenge winters elkaar opvolgen. En in die honderd jaar is het maar één keer gebeurd dat vier strenge winters elkaar opvolgden. Dat was in de mobilisatietijd '39 en de oorlogsjaren '40-'41-'42.
HUMO: Ik lees altijd dat het weer de laatste honderd jaar nauwelijks veranderd is. Toch herinner ik mij dat, toen ik kind was, de zee eens voor een stuk was dichtgevroren en dat er auto's over de Schelde reden. Dat is de jongste twintig jaar zeker niet meer gebeurd.
Pien: Daar zijn redenen voor. Dat de zee dichtgevroren was heb ik meegemaakt in '47, de mooiste winter aller tijden want die is gevolgd door de mooiste zomer aller tijden. Het is nog eens gebeurd in '62-'63. Nou ja, dichtgevroren... Je kon over een afstand van 2 à 3 kilometer ver over de ijsblokken de zee inlopen. Daarna is het nooit meer gebeurd, ook niet in '85-'86-'87, toen het IJsselmeer dichtvroor en het ijs door de luchtcirculatie tot 12 meter hoog was opgekruld, een prachtig beeld. Maar het is waar dat je zo van die periodes hebt... Tussen '63 en '85 zijn er eigenlijk geen winters geweest. De Elfstedentocht is nooit kunnen doorgaan. Het waarom daarvan is moeilijk te bepalen, want het is niet alleen een meteorologisch probleem. Volgens mij is het ook een astronomisch probleem. Ligt het aan de helling van de aardas? Daar zitten we nog altijd naar te zoeken. En daar komt nog iets bij. Je hoort oudere mensen vaak zeggen ‘vroeger hadden we nog winters’. Maar ze vergeten dat we op vijftig jaar tijd helemaal anders zijn gaan leven. Toen ik kind was kroop ik in mijn bed met een jeneverkruik die mijn moeder met warm water had gevuld om mijn voeten te warmen. En toen dampten de lakens van de vochtigheid en op de ramen stond zo'n dikke laag ijsrozen. Nu heeft iedereen centrale verwarming in huis. En van het warme huis stappen we in onze warme auto om naar ons warme kantoor te rijden. We voelen de winter niet meer. En als je zegt dat de Schelde vroeger toevroor — dat is gebeurd in februari '56 en in de winter '62-'63 — en nu niet meer, dan vergeet je dat de Schelde een open riool is geworden en dat de scheepvaart in vergelijking met vroeger enorm is toegenomen.
HUMO: In interviews laat u zich altijd erg optimistisch uit over milieuvervuiling.
Pien: Niemand kan ontkennen dat het CO2, het koolzuur in de lucht, toeneemt. We brengen vuile deeltjes in onze atmosfeer doordat we centrale verwarming hebben, auto rijden, het vliegtuig nemen, stikstofverbindingen over het land uitstorten, enzovoort. Maar de mensen die luxueuzer zijn gaan leven, wonen alleen in het noordelijk halfrond. In het zuidelijk halfrond hebben de mensen nauwelijks industrie of luxe en bovendien wordt tweederden van de oppervlakte door water ingenomen, dus de vervuiling gebeurt daar maar op zeer kleine schaal. Door de algemene luchtcirculatie verspreidt de pollutie zich over de hele aarde.
Ik wil dus niet ontkennen dat we het milieu wel een beetje aan het vernietigen zijn, maar de mens is het enige verstandelijke wezen in ons eigen zonnestelsel, de enige ook die de eigen fouten kan herstellen. Een plant kan dat niet, een dier kan dat niet, de mens kan dat wél. En we zijn volop bezig met dat herstel. Lood wordt uit de benzine gehaald. Freongassen worden uit spuitbussen geweerd, meer en meer worden energieën ingeschakeld die zuiverder dan steenkool zijn. Ik durf inderdaad met zekerheid te zeggen dat we in de 21ste eeuw een veel gezondere atmosfeer zullen hebbendeel 2
HUMO: In een HUMO-interview van '78 zag u het ook al zo rooskleurig. U zei toen dat we de maximumpollutie hadden gehad en dat we toen al naar een gezonder milieu toegingen. Sindsdien heb ik nooit zoveel horen spreken over inversie.
Pien: Inversie is er altijd geweest, altijd. Al heel lang worden duivenvluchten door inversies verhinderd.
HUMO: Maar tien jaar geleden hoorde ik u niet, zoals nu van tijd tot tijd, waarschuwen dat mensen met ademhalingsstoornissen en bejaarden beter kunnen binnenblijven.
Pien: Meteorologen hebben het verschijnsel van inversie altijd al gekend. Bij een hoogdrukgebied kan de pollutie blijven hangen, zodat er een enorme vervuiling optreedt. De jongste jaren zijn de mensen inderdaad meer milieubewust geworden, maar in '78 was dat nog niet het geval. We hadden nog geen diensten van luchtverontreiniging, zelfs bij het KMI is die dienst pas in '74 opgericht.
HUMO: Toch heb ik de indruk dat het alsmaar erger wordt. Ik geloof niet dat het al eerder gebeurd is dat men, zoals vorig jaar in Duitsland, auto's naast de weg moest laten staan, omdat de luchtverontreiniging gevaarlijke pieken bereikte.
Pien: Zo erg is het bij ons nog niet geweest. Maar pas op hé, in België zijn er een aantal erg vervuilde steden, waar enkele keren per jaar de veiligheidslimiet voor de mens wordt overschreden. Dat is niet in Charleroi of Mons, zoals men geneigd is te denlen, maar in Brussel, Antwerpen en Gent. Op die punten wordt de vervuiling per uur opgemeten zodat er onmiddellijk alarm kan worden geslagen. Maar wij slaan alarm niet alleen door de metingen door te spelen, maar ook door een paar dagen voordien de voorspellingen door te geven aan het Instituut voor Hygiëne en Epidemiologie en het ministerie van Volksgezondheid, die op hun beurt de bevolking moeten waarschuwen. Onze taak is informatie door te spelen aan de bevoegde diensten en daarmee uit.
HUMO: In dat verband kan Tsjernobyl niet worden genegeerd. Ik vraag u niet of u de ‘betrouwbare persoon’ was die met alarmerende berichten bij BRT-informatiedirecteur Karel Hemmerechts aankwam. Maar stel dat u over alarmerende berichten beschikte, zou u ze bekend maken aan het publiek?
Pien: Ik wil Tsjernobyl niet uit de weg gaan. 2 mei 1986 is voor mij de zwartste dag van mijn leven geweest. Ik weet nog zeer goed dat het vrijdagvoormiddag was. Ik had op BRT-2 net het weerpraatje met Lutgart Simoens gehad. De luchtvoorzieningen waren zeer gunstig voor ons. Er stond een zuid-west circulatie. En ik weet nog heel goed dat ik gezegd heb: ‘Voor ons bestaat er niet het minste gevaar’. Heb ik gezegd. Toen ik hier buitenkwam was het na elven en de gegevens die hier binnenliepen... Vergeet niet dat metingen bewerkt moeten worden. Van de radioactiviteit die men kent, moet eerst de natuurlijke radioactiviteit worden afgetrokken om de reële cijfers te krijgen, dus dat duurt een tijdje. Toen ik de cijfers zag en de sprong die gemaakt was... Ik weet nog dat dokter Malcord, direkteur van het KMI, onmiddellijk telegrammen gestuurd heeft naar premier Martens, het Staatssekretariaat van Leefmilieu en alle betrokken instanties en om drie uur 's middags zat iedereen al op het kabinet van Staatssekretaris Smet, mét de metingen maar ook met de informatie uit de Sovjet-Unie dat de ramp helemaal niet erg was. Hoe kun je op basis van verkeerde informatie maatregelen treffen?
Een bijkomende moeilijkheid was dat toen gebleken is dat er in de wetenschappelijke wereld een chaos bestond op het gebied van eenheden. De ene sprak van picocurie, de andere van becquerel per kubieke meter, nog een andere van becquerel per vierkante meter. Dus vóór men enig inzicht kreeg moest er een eenheid op het gebied van metingen worden bepaald. Dat is dan gebeurd en vanaf dat moment zijn er onder de verantwoordelijkheid van de Staatssekretaris van Leefmilieu voorzorgsmaatregelen getroffen. Maatregelen gesteund op een informatie die misleiding was. Want hoe kun je de bevolking juist voorlichten als je verkeerde informatie krijgt?
Pas nadien, veel later, heeft de Sovjet-Unie de berichten rechtgezet. En jammer genoeg kreeg niet alleen het Westen verkeerde informatie, ook de mensen in de buurt van Tsjernobyl werden verkeerd ingelicht. Ondertussen weten we van de Amerikaanse professor Gale, die in Rusland bij een aantal slachtoffers mergtransplantaties heeft verricht, dat er tussen dit en 10 jaar 100.000 mensen aan de gevolgen van de ramp zullen sterven. Heel erg vind ik dat. De verantwoordelijkheid om de juiste omvang van een ramp mee te delen ligt tenslotte bij het land zelf waar de ramp gebeurd is.
HUMO: Maar u hoefde toch niet te geloven wat er gezegd werd? U had toch metingen hier gedaan...?
Pien: En die werden doorgegeven, onmiddellijk. Natuurlijk werden eerst vergelijkingen en berekeningen gemaakt, want vóór je iets beweert moet je wel héél zeker zijn. De eerste verontrustende cijfers werden gemeten in Dourbes in het zuiden van het land, één uur later in Ukkel, nog later in Mol, waaruit bleek dat de wind uit het zuiden kwam. De reden was dat zich een heel klein gebiedje van lage luchtdruk had gevormd boven de monding van het Kanaal, en dat de radioactiviteit die over Oostenrijk en Zwitserland hing en langs de oostkant Frankrijk binnenkwam, daardoor met de zuidenwind naar hier werd gedreven. De Fransen zelf hadden niets gemerkt, want zij gaven geen alarm en hun veiligheidsnormen waren zelfs beter dan die in de omringende landen. Vandaar ook dat de Waalse gemeenschap volhield 'il n'ya pas de radioactivité en France, dus ook niet bij ons’, terwijl de Vlaamse gemeenschap wél maatregelen trof.
HUMO: Hoeveel tijd verloopt er tussen de metingen en de waarschuwing aan het publiek?
Pien: Eerst en vooral stonden we voor een ramp die we nooit in ons leven hadden meegemaakt. Je kan dat een beetje vergelijken met wat recentelijk in Zeebrugge is gebeurd, dat was ook een totaal nieuw gegeven. Dus je staat daar voor een probleem waarmee je nog nooit bent gekonfronteerd en je kunt niet zomaar een cijfer geven, je moet eerlijke cijfers geven. Dus toen we de natuurlijke radioactiviteit van elke dag uit de cijfers gefilterd hadden en de verschillende eenheden met elkaar vergeleken, kwamen we tenslotte bij 15 becquerel per kubieke meter uit, terwijl de grens bij ons, geloof ik, op 50 becquerel ligt. Dus dat is achteraf allemaal rechtgezet.
HUMO: Hebt u in uw 35 jaar als weerman in eigen land nog meer verbazende fenomenen meegemaakt?
Pien: In '67 was er een windhoos die op een en dezelfde dag Oostmalle, Dikkebus en Boezingen vernietigde. Ik heb de verwoestingen gezien, toen we daar met schooltelevisie zijn gaan filmen, en dat was een echte verschrikking. Dezelfde streek van Dikkebus en Boezingen werd twee jaar geleden op 14 augustus wéér door een windhoos getroffen en dan was er nog de windhoos in het Waalse dorpje l'Eglise. Windhozen zijn de ergste weerfenomenen die zich in België kunnen voordoen en het vervelende is dat ze niet te voorspellen zijn en dat het altijd zo zal blijven. We weten dat zich windhozen kunnen vormen op de grens van subtropische lucht die van Afrika komt en koelere maritieme lucht die van de Atlantische oceaan komt. Maar waar? Je kunt ze niet zien, want zo'n windhoos hangt onderaan een wolk en wolkenformaties worden van bovenaf gefotografeerd. Dus voorspellen of en waar een windhoos het aardoppervlak raakt zullen we nooit kunnen. Het enige wat we misschien wél kunnen zeggen is dat gezien de luchtcirculatie er een risiko op windhozen bestaat. Maar in de meteorologie moet je niet aan sensatie doen en de mensen bang maken.
HUMO: En de vurige bollen die vorig jaar door zoveel Belgen werden gezien en die toen voor UFO's werden gehouden?
Pien: UFO's zijn larie. Mensen lopen met hun hoofd naar omlaag, ze kijken doodgewoon niet meer omhoog... Mensen kijken niet meer naar de sterrenhemel. Er zijn trouwens ook niet veel sterren meer te zien aan de hemel door de verlichting en de verontreiniging. Om onze Melkweg te zien moet je al naar de Provence of naar het Noorden. Dus kijken we niet meer en als ze dan een ster zien of de planeet Venus of Jupiter, staan ze verstomd. En hoe meer ze naar die ster staren, hoe meer ze die zien bewegen. Pure verbeelding. UFO's, vergeet het maar. In ons zonnestelsel is de Aarde de enige planeet waar verstandelijk leven is. De andere planeten zijn dode planeten. Er leeft geen bacterie, er is niets. Als we nog leven willen vinden, moeten we dus naar een ander zonnestelsel dan ons eigen melkwegstelsel, maar alles wat daarover geschreven wordt zijn pure gissingen, want we hebben er geen informatie over. Zelf ben ik ervan overtuigd dat er in het heelal verstandelijke wezens voorkomen, maar ook dat ze er totaal anders uitzien dan wij. Vraag mij nu niet hoe ze eruit zien, want dat weet niemand. En we zullen het ook nooit te weten komen, want we leven niet lang genoeg om de lichtjaren te overbruggen.
HUMO: Maar van die vurige bollen zijn toch honderden meldingen binnengekomen?
Pien: Natuurlijk, maar je mag niet vergeten dat er rond onze Aarde één grote vuilnisbelt ligt. Sinds het begin van de ruimtevaart zijn er zowat 3000 kunstmanen gelanceerd en daarvan zweven tienduizenden brokstukken rond onze aarde: trappen van raketten, brokstukken van capsules, fragmenten van beschermkappen. Als die stukjes niet té hoog liggen, dus maar op een paar honderd kilometer, worden ze door de Aarde aangetrokken en komen ze in de dikke lagen van onze atmosfeer terecht, waar ze door wrijving met de lucht eerst roodgloeiend en dan witgloeiend worden en tenslotte verbranden. Dat zijn de dingen die sommige mensen zien en waarvan men dan denkt dat het vliegende schotels zijn.
HUMO: Krijgt u bij het KMI soms eigenaardige oproepen van verontruste mensen?
Pien: Heel vaak. Onlangs kwam er een hele reeks telefoontjes binnen van vooral oudere mensen die een TV-uitzending hadden gezien, waarin verteld werd dat in het jaar 2000 de aarde zal vergaan. Die mensen waren echt in paniek. Want op de televisie was gezegd — en wat op de televisie komt is altijd waar (lacht), denk maar aan mijn weerbericht — dat in het jaar 2000 de negen grote planeten van het zonnestelsel op één rechte lijn zouden liggen en dat de wereld dan zou vergaan. Ik heb getracht die mensen gerust te stellen en ik heb hen uitgelegd dat het ten eerste al heel wat is als er twee planeten op één rechte lijn liggen. De negen planeten samen, dat bestaat niet! Ten tweede is de aantrekkingskracht van de planeten op onze aarde zo miniem dat er totaal niets kan gebeuren, als dat toch zo was. Ik heb de uitzending zelf niet gezien, maar als werkelijk zoiets verteld werd, is dat pure desinformatie voor de massa. Sensatie om de mensen bang te maken.
HUMO: We hebben drie bekende weermensen: Armand Pien, die bovendien geïnteresseerd is in de sterren. Jan Bomans, die weerspreuken verzamelt, en professor Poppe, die het in computers zoekt. Als u met zijn drieën zou samenkomen, zou het dan tot heftige controverses over het weer komen?
Pien: Dat kan niet meer hé. Vroeger, toen we over maar weinig informatie beschikten, moest je nog een beetje op feeling en ondervinding afgaan. Maar nu krijgen we zoveel informatie voorgeschoteld, dat we in feite allemaal tot dezelfde slotsom moeten komen.
HUMO: Toch voorspelt professor Poppe zomers op een moment dat u zich daar niet aan waagt.
Pien: Professor Poppe doet natuurlijk wat hij wil, maar zijn voorspellingen steunen op de statistische methode en volgens mij is die totaal voorbijgestreefd. Misschien komen zijn resultaten nog ooit uit, maar tot hiertoe is dat in elk geval nog niet gebeurd. Bovendien zou een professor die aan meteorologie doet, tenminste contact met Reading en met het KMI mogen hebben en daar heb ik tot nu nog maar zeer weinig van gezien. Een derde punt is dat een universiteit zich volgens mij niet moet bezighouden met weervoorspellingen, daar heb je het KMI voor. Een universiteit moet zich met wetenschappelijk onderzoek bezighouden en er zijn nog zoveel takken in de meteorologie die op universitair niveau onderzocht moeten worden. Dat kan in samenwerking met het KMI, maar helaas werkt iedereen nog een beetje in het eigen straatje om gelijk te halen en dat vind ik onnozel. Met de middelen en de budgetten die we tegenwoordig nog tot onze beschikking hebben, zouden we veel meer met elkaar moeten samenwerken. Alleen door samenwerking kunnen veel problemen worden opgelost. Maar in dit kleine landje schijnt men nog altijd niet te beseffen dat je niet verder komt met een mentaliteit van ‘ik weet het beter dan jij’.
Ik vind het bijvoorbeeld erg jammer dat de weerkaarten van Reading alleen bij het KMI aankomen. Ons land betaalt jaarlijks miljoenen voor die samenwerking met Reading. Ik vind dat informatie iets is waar iedereen over moet kunnen beschikken, dat iedereen er gebruik van mag maken mits men achteraf zo eerlijk is er de bron bij te vermelden. We moeten ernaar streven dat het KMI een meteorologisch technologisch centrum wordt waar de gegevens ter beschikking liggen van iedereen die ze dan voor eigen doeleinden en op een eigen welomschreven domein kan gebruiken. En dat is belangrijk. Want bij de ramp van Tsjernobyl hebben we kunnen merken wat de gevolgen van een versnipperde verantwoordelijkheid zijn.
HUMO: U bent met pensioen, en hier zitten we, in het KMI.
Pien: Ik zit hier omdat ik in mijn leven zeer veel voor het KMI heb gedaan. Ik heb het instituut bekend gemaakt, zodat het overal geïntroduceerd is. Misschien een beetje ten nadele van de andere wetenschappelijke instellingen die we hier hebben; de Koninklijke Sterrenwacht en het Belgisch instituut voor Ruimteaeronomie. Omdat ik bekend ben als weerman komt allerlei informatie bij het KMI terecht, van aardbevingen tot sterrenkunde, terwijl dat eigenlijk naar de collega's van de twee andere wetenschappelijke instituten moet gaan. Ik heb er altijd voor gezorgd dat het terecht kwam op het domein waar het thuishoort.
Elke gepensioneerde heeft het recht een klein beetje bij te werken, ik hou me nog met het één en ander bezig, al ben ik dat ook aan het afbouwen, onder andere door vier jonge mensen een kans te geven bij de BRT en daar ben ik fier op. Ik denk trouwens dat ik als Vlaming terecht fier mag zijn. Ik heb in mijn leven zeven jobs gecreëerd. Eén job door met pensioen te gaan en plaats te ruimen voor een jonge collega. Eén job door het Planetarium op te richten. Eén job door het Macro-spelletje op de VRT te presenteren, dat overgenomen werd door een jong element. En vier jobs voor weermensen bij de BRT. Zeven jobs, dat is niet slecht in een mensenleven. Mocht elke Vlaming zeven jobs creëren, dan was het probleem van de werkloosheid opgelost.
HUMO: U kunt het weer niet loslaten, want elke vrijdag bent u bij Lutgart Simoens in ‘Platenpoets’, 's avonds op de BRT, en hier zit u in het KMI.
Pien: Hoewel ik sterrenkunde heb gestudeerd en in de meteorologie ben terechtgekomen en de ruimtevaart als geschenk heb gekregen, is mijn job ook een beetje mijn hobby. Eigenlijk ben ik een beetje verliefd op het weer. Voor mij is het, ook als ik hier maar even binnenwip, dé thriller van de dag: wat gaat er in de volgende 24 uren gebeuren.
HUMO: Bent u weergevoelig? In een rothumeur als het miezert en opgewekt als het stralend is?
Pien: Het mag het rotste weer zijn dat er bestaat, ik blijf altijd blijgezind. Ik weet niet wat mijn ouders daarvoor gedaan hebben, maar die opgewektheid zit in mij. Ik ben voor 99% optimist.
HUMO: Wat zou u in uw leven nog graag zien gebeuren?
Pien: Als ik het bij mijn werk mag houden, kan ik heel concreet zijn. Elke vrijdag kom ik op het scherm om de nieuwe middelen waarover het KMI beschikt aan de man te brengen. Niemand in Europa — noch de BBC, noch Frankrijk — brengt zulke infrarode foto's op het scherm waarvan iedereen zelf de informatie kan aflezen. Ik hoef er zelfs niets bij uit te leggen. De kijkers weten dat wit koud is, grijs wat warmer, rood warm. Ik zou willen dat mijn opvolgers daar ook over kunnen beschikken, zodat het dagelijkse informatie wordt. En dat ze kunnen beschikken over de bewegende weerbeelden. Een tijdje geleden bracht ik ze nog op het scherm, maar dat is afgevoerd omwille van een budgettenkwestie.
Ten tweede ziet het ernaar uit dat we in het jaar 2000 in België 63 kanalen op onze beeldbuis kunnen krijgen. Wat ik nog graag zou willen meemaken is dat minstens één daarvan een weerkanaal zou zijn. Dat wil zeggen een kanaal waarop je 24 uur op 24 informatie over het weer kunt krijgen. In Amerika bestaat er al een weerkanaal, waar zestig meteorologen aan meewerken. Weliswaar is het iets makkelijker in Amerika dan in Europa, omdat ze daar geen taalprobleem kennen, maar met bijvoorbeeld teletekst moet het mogelijk zijn dat je aan de knop draait, de satelliet capteert en meteen ziet welk weer het op dat ogenblik in heel Europa is, Je krijgt er foto's, algemene én gespecialiseerde informatie voor scheepvaart, landbouw enzovoort. Dat is niet alleen nuttig voor individuen: ekonomisch gezien betekent het een miljardenbesparing als beroepsmensen met het weer rekening houden.
Ten derde heb ik nog een kleine droom. In '76 heb ik het Planetarium opgericht. Toen ik er wegging in '82 waren er al 350.000 bezoekers geweest. Wat ik nu altijd graag had gehad was dat er bij het Planetarium een Atmosferium zou komen. Zoals je in het Planetarium de sterren en planeten aan het hemelgewelf ziet, zou je in een Atmosferium alle weerfenomenen kunnen tonen, visueel en met geluid. Ik denk dat er in Amerika iets dergelijks bestaat, al weet ik het niet zeker. Zo'n Atmosferium is mijn grote droom, maar wordt waarschijnlijk nooit verwezenlijkt. Het is dus meer de utopie van mijn leven.
Ingrid De Bie
Bron:Humo
Quote selectie