Dit doen ze in de kleuterklas wanneer het sneeuwt:
Beleving rond sneeuwballen:
* Ballen maken: kleine, grote, ronde, vreemde, etc.
* Zo ver mogelijk gooien: tot aan een lijn, tot tegen een muur, tegen een boom, etc.
* Iets omver gooien: blikken, plastic flessen.
* Een strandbal op de grond leggen en met sneeuwballen proberen te raken. Strandbal laten rollen
* Op een muur een kerstboom tekenen. Sneeuwballen naar de boom gooien: de kerstballen.
* In een kring een sneeuwbal doorgeven zonder hem stuk te maken.
* Naar de klas gaan en met papieren (kranten verfrommelen) of wollen bal verder spelen.
Beleving rond sleeën:
* Enkele sleeën aan elkaar vastmaken.
* Langzaam voorbij een voorwerp sleeën en het proberen op te rapen.
* De ogen sluiten, goed luisteren en achteraf vertellen waar je allemaal langs bent gekomen met de slee.
* Achterstevoren zitten / liggen.
* Opdrachten geven: slee naar, tot aan, rond, voorbij, etc.
Beleving in de sneeuw:
* Sneeuwvlokken proberen te vangen, ook in een doosje verzamelen, kan het?
* Sneeuw laten smelten in de handen.
* Onder besneeuwde takken gaan staan en aan één tak trekken.
* Meten hoe dik de sneeuw ligt.
* Sporen van mensen en dieren zoeken en volgen.
* IJspegels zoeken en ze afbreken of er met sneeuwballen af gooien.
* In de sneeuw schrijven of tekenen.
* Zeepbellen blazen als het vriest: het worden sneeuwvlokjes.
* Na een wandeling: warme chocolademelk maken en drinken.
Quote selectie