Hallo,
Kan iemand (Gert C, Cees,...?) nog eens iets uitleggen over mogelijke ijsvorming bij positieve temperaturen, maar negatieve dauwpunten? Hoe zit dat weer precies?
Ik zie dat de komende dagen de dauwpunten negatief blijven.
Ik hoop dan ook zondag of misschien zelfs al morgen te kunnen schaatsen.
Het vriest niet hard, maar ik denk dat de ijsvloer, die nog deels aanwezig was na de laatste kou van 2005, toch wat is aangedikt.
Gisteren een maximum van +0,6°C met negatieve dauwpunten, vanmorgen -2,5°C en wellicht nog wat lager...
Als het vannacht nog een keer wil doorvriezen (-3 of lager) heb ik er goede hoop op.
Ruben
Niet de negatieve dauwpunten maar negatieve natte boltemperaturen geven de doorslag. Maar dat is nog niet het enige. Ik zal proberen mijn visie daarop eenvoudig uit te leggen. De materie is vrij complex; we moeten het doen met een beetje grove benadering.
IJsvorming wordt bepaald door energiestromen van het ijs naar twee kanten; naar boven en naar beneden. Laten we de warmteuitwisseling naar beneden even buiten beschouwing.(deze kan bij plotselinge vorst na een zachte periode, bv in november, wel enige invloed uitoefenen.)
Het oppervlak van het ijs( of water) moet energie afgeven aan de omgeving om te kunnen groeien. Dat kan op drie manieren:
1. Uitstraling/instraling
2. Geleiding
3. Stroming
Door uitstraling naar boven zal bij onbewolkte lucht het ijs warmte verliezen. Door instraling van de zon kan juist weer warmte worden toegevoerd.
Bij stilstaande lucht zal het ijs warmte afgeven door geleiding; of opnemen bij dooi.
Door stroming (wind) zal de warmte-uitwisseling met de lucht sneller gaan. Bij vorst kan de ijsaangroei daardoor versneld worden.
Bij dat derde punt, de stromende lucht over het ijs, speelt de vchtigheid van de lucht een rol. Denk maar aan het zwemmen : als je nat uit het water komend, voelt de wind altijd veel kouder dan wanneer je droog bent. De bekende "natte vinger" om de windrichting te bepalen is hierop ook gebaseerd : de vinger wordt iets kouder aan de kant waar de wind er tegen aan stroomt.
Hoe bepalen we nu, hoe groot dat effect van extra afkoeling in droge lucht is? De natte boltemperatuur biedt hier uitkomst. Deze temperatuur geeft aan, welke temperatuur een nat voorwerp aanneemt als de lucht er langs stroomt. De natte boltemperatuur is altijd hoger dan het dauwpunt, maar lager dan de droge boltemperatuur, de "gewone" temperatuur dus.
Is de natte boltemperatuur onder 0, dan kan het ijs aangroeien. Is deze boven 0, dan lukt het niet en zal het ijs afsmelten.
Het is best mogelijk, dat niet al die drie factoren (straling, geleiding en stroming) gunstig gericht zijn. De lucht kan koud zijn onder een "warm" wolkendek. Het ijs kan dan geen warmte uitstralen maar zal eerder warmte van de wolken ontvangen. Het gaat uiteindelijk om de som van de drie effecten.
Nog een paar voorbeelden, zoals gisteren in mijn posting:
De natte boltemperatuur ligt tussen de temperatuur en het dauwpunt in. Als voorbeeld :
1°C met dauwpunt -2,1° heeft een natteboltemperatuur van -0,1°. IJs zou nog licht kunnen aangroeien, sneeuw blijft droog.
Ander voorbeeld :
Lucht temp : 0,5°
Dauwpunt : -0,2
Natte boltemp : +0,2
Het ijs wordt nat; sneeuw blijft of wordt nat.
Groet,
Cees
Quote selectie