In het ensemble van vanochtend zijn een aantal onzekerheidsfactoren aan te wijzen op verschillende tijdstappen in de verwachting. Er moet opgemerkt worden dat naar mate men verder gaat in de tijd, het ensemble ook voor een bepaalde richting kiest en dus de onzekerheden op dat punt in de tijd weer het gevolg zijn van die richting. Door chronologisch de onzekerheden te duiden en te bekijken welke richting het ensemble kiest, kan je een aardig beeld krijgen van de mogelijkheden die er zijn voor het stromingspatroon.
De onzekerheid in het 500 hPa geopotentiaal begint vanaf 27 januari serieuze vormen aan te nemen. Dan komt er een hoogtelaag vanaf Nova Scotia zich met het stromingspatroon bemoeien. Door te kijken naar de standaarddeviatie (dit is een goede indicator voor de spreiding) in het 500 hPa geopotentiaal, valt te zien dat de grootste onzekerheid gevormt wordt door de exacte hoogte van het geopotentiaal aan de zuidoostflank van het hoogtelaag. De exacte richting waarin het hoogtelaag zich beweegt is dus onduidelijk. Dit kan meer zuidelijk zijn maar ook meer oostelijk. In het eerste geval zal dit voor versterkte warmteadvectie aan de westflank van de oceaanrug zorgen, waardoor deze rug zich in geopotentiaal zal versterken. De rugas zal echter noord-zuid georiënteerd blijven. De andere optie, een meer oostelijke of mogelijk zelfs noordoostelijke koers van het laag, kan er voor zorgen dat de rug zich eveneens in geopotentiaal versterkt maar dat de as van de rug kantelt richting Scandinavië. Deze kanteling kan versnelt worden als het hoogtelaag aan de oostflank, dat zich op 27 januari nog boven west-Rusland bevindt, naar het zuidwesten beweegt. Deze ontwikkeling zou uiteindelijk een high-over-low blokkade tot gevolg hebben met sterke advectie van continentale arctische lucht naar centraal Europa.
Dat het hoogtelaag aan de oostflank onze kant op gaat komen lijkt op zich wel te gaan gebeuren, dat is te zien aan de gemiddelde 500 hPa geopotentiaalverdeling op 29 januari. Aan de standaardafwijking aan de zuidwestflank van het laag is echter te zien dat er een onzekerheid bestaat in hoeverre dit laag zich die richting in beweegt. Des te verder het laag komt, des te groter de kans dat zich een high-over-low blokkade zal vormen. Ondertussen is het boven de westelijke oceaan een grote rommel geworden met talrijke onzekerheidsfactoren. De grootste onzekerheid vinden we ten zuidwesten van IJsland alwaar zich (vermoedelijk) in een aantal ensembleleden een golf in het hoogtepatroon vormt. Dat zou op zich gunstig kunnen uitpakken, mits deze golf niet te snel naar het noorden doorschiet. Hierdoor zou het hele hoog wel eens snel kunnen afbrokkelen. Ondertussen lijkt het ensemble op dit punt in de tijd al qua richting gekozen te hebben voor een afzwakkend hoogtelaag (gezien de kleine standaardafwijkzing van 6 dam in de as van de hoogtetrog) wat vervolgens vanwege het ontbreken van geopotentiaalverstevigende advectie evolueert in een zonalerende stroming. Hierbij moet nog wel opgemerkt worden dat het ensemble op dit punt ook richting de klimatologie begint te evolueren. Na +200h begint het ensemble derhalve onbruikbaar te worden.
Tot slotte, in de T850 ensemblegemiddelde kaartjes is mooi te zien dat we waarschijnlijk tot enige dagen te maken zullen hebben met waarden van -6 tot -8. Aan de grond kan dit, bij een goede inversie, toch ijsdagen en matig tot strenge vorst in de nacht tot gevolg hebben. Al met al hoeven we volgens mij tot aan het einde van de maand allerminst te vrezen voor temperaturen die op normaal uit komen. Volgens mij gaan we vanaf maandag in Nederland gewoon een hele mooie reeks van zeker 6 à 8 koude dagen tegemoet.
Geopot. 500 gemiddelde en standaardafwijking
T850 ensemblegemiddelden
Quote selectie