Naar aanleiding van de vraag van Roland.
Bladeren bevatten verschillende pigmenten, maar in de lente en de zomer primeert het chlorofyl, dat zijn groene kleur doordrukt. In de herfst eindigt de chlorofylproductie en zo krijgt het gele caroteenpigment een kans. Er vormen zich ook andere, vooral rood- en violetkleurige pigmenten zoals de anthocyanen. De levendigheid van de kleuren is afhankelijk van de weersomstandigheden, de productie van de rode pigmentstof wordt bevorderd door frisse nachten en heldere, zonnige relatief warme dagen.
Nu dit laatste hebben we wel gehad denk ik.
Aangezien dit weertype meer voorkomt in een continentaler klimaat, zoals Centraal-Azië en Noord-Amerika, zijn de kleuren daar veel feeërieker dan bij ons. In Amerika spreekt men van een "Indian Summer".
Nu ja, de bossen in Amerika zijn er ook gevarieerder, lees, meer soorten. Wij hadden deze boomsoorten ook maar tijdens de ijstijden zijn we ze kwijt geraakt omdat ze gewurgd werden tussen het noordelijke ijs en het gebergte-ijs (Alpen en Pyreneeën). Enkel de beuk is kunnen "ontsnappen" naar de Zwarte Zee. In Amerika is de reliëfstructuur noordzuid georiënteerd en hebben de meeste bomen kunnen overwinteren in het zuiden.
Quote selectie