Hoi Bart,
Leuk dat je de moeite genomen hebt om de potentiële onweerssituatie van aanstaande vrijdag te bespreken. Hierbij een aantal tips om toekomstige besprekingen wat te verbeteren.
Allereerst mis ik een beetje een beschrijving van de grootschalige weersystemen (drukgebieden, hoogtepatroon, ligging van belangrijke fronten, karakterisering van de dominante luchtsoort). Wat we vrijdag zien is een sterk geamplificeerde hoogtestroming met een diepe grootschalige hoogtetrog ten westen van Ierland, een afgesnoerd hoogtehoog boven Noorwegen en Zweden en een noordoost-zuidwest georiënteerde hoogtetrog boven de zuidoostelijke Balkan. De stroming is in de Benelux erg zwak en meest anticyclonaal. De warme, vochtige subtropische lucht die in het begin van de week naar onze regio is getransporteerd, blijft door het gebrek aan stroming bij ons hangen. Een koufront behorende bij het grondlaag ten oosten van IJsland ligt parallel aan de hoogtestroming en heef daardoor nauwelijks enige oostelijke verplaatsing. Gevolg hiervan is dat er zich enkele golfjes kunnen vormen in het front, iets wat vooral boven het V.K. en in het westen van Frankrijk voor een verhoogde kans op buien kan zorgen. Voor ons speelt het front waarschijnlijk geen rol. Het gebrek aan stroming heeft nog als nadeel dat een heleboel vocht tijdens de diurnale cyclus door turbulente menging uitgemengd wordt. Dat betekent dat er een minder grote kans is op buien.
Er zijn enorme stijgbewegingen aanwezig. Dit houdt een belangrijke trigger in. Indien de rest vrij gunstig is, zijn we dus bijna zeker van onweer.
Vergeet niet dat buien ook verticale bewegingen met zich meebrengen. Wat je op die kaart ziet zijn de totale verticale bewegingen in de atmosfeer, dus niet alleen ten gevolg van thermiek, opglijding over warme luchtmassa's, orografische stuwing en geforceerde optilling door bijvoorbeeld hoogtetroggen/fronten.
Als we de kaarten met vorticiteitsadvectie op het 500 hPa drukvlak bekijken, dan zien we dat er geen relatieve vorticiteit wordt geadvecteerd. Van dynamische forcering is dus geen sprake, wat betekent dat eventuele buien het voornamelijk zullen moeten hebben van optilling in de grenslaag (optilling t.g.v. thermiek door instraling en door (kust)convergentie).
Ook te zien op deze sounding is dat er op alle hoogtes amper wind staat. Dit komt omdat het onweer zich ontwikkelt op een thermische vore.
Let hier even op oorzaak-gevolg: komt het feit dat er weinig wind staat doordat zich onweer ontwikkelt op een thermische vore, of staat er simpelweg weinig stroming omdat het geopotentiaalgradiënt klein is en zal een eventuele bui wegens gebrek aan grootschalige forcering daarom ontstaan op lijnen van convergentie t.g.v opwarming (thermische vores, zeewindfront)?
GFS laat vrijdag vooral buien ontstaan op een uiterst scherpe thermische vore, mogelijk zelfs een thermisch lagedrukgebied, die strekt van het uiterste noordwesten van Frankrijk richting het noordoosten van Frankrijk. Doordat er nauwelijks stroming staat berekent het model vrij veel neerslag in die gebieden. Het gebrek aan stroming betekent echter ook dat er nauwelijks windschering is, waardoor bij buien al snel de outflow dominant wordt (de voeding van de bui wordt hierdoor gesneden) met als gevolg dat buien slechts een relatief korte tijd hebben om echt zwaar te zijn en (flink) onweer te produceren. Ik denk dus inderdaad ook dat het voornamelijk multicells zullen zijn, maar wel met een relatief korte levensduur. Van clustering zal denk ik niet echt sprake zijn, tenzij zich een nachtelijk windmaximum ontwikkelt. Dat valt niet geheel uit te sluiten maar ik acht het vooralnog niet reeël.
Gr. Ben
Quote selectie