Verwachtingsmethode
Voor het komen tot een enigszins verantwoorde seizoensverwachting ben ik uitgegaan van twee peilers: de eerste is de prognoses van de maandmodellen van het NCEP en het ECMWF, de tweede is een eigen methode op basis van analogieën in het overheersende bovenluchtpatroon in de lente als indicatie voor de zomer. Voor het bepalen van de analogieën is gebruik gemaakt van de NCEP/NCAR heranalyse vanaf 1949 tot heden.
De maandmodellen van het NCEP en het ECMWF tonen een versterke zonale stroming boven de gematigden breedten, min of meer een continuering van het in mei ingezette patroon van afwisselend sterke zonale circulaties tot soms vrij sterke doch relatief kort durende blokkades. De temperatuur komt daarbij rond normaal uit en de neerslag boven normaal.
Allereerst heb ik bekeken hoe sterk het verband is tussen de hoogteanomalie in de lente en de daarop volgende zomer boven het noordelijk halfrond. De gevonden correlatie is niet hoog: overwegend zo'n 0,2 (doorgaans weinig significant) met uitschieters tot 0,3 à 0,4 (doorgaans enigszins significant) boven de gematigde breedten in ons gebied. Opmerkelijk echter is dat bij deze correlaties een erg hoge significantie is van meestens 0,9 of hoger. Dat betekent dat de gevonden correlatie toch van enige waarde is, wat voor mij voorlopig genoeg is om voorzichtig een verwachting op te stellen.
Vervolgens heb ik de sterkste anologieën van de afgelopen lente met het verleden gevonden, door een correlatie uit te voeren tussen de hoogteanomalie van het 500 hPa vlak dit jaar en voorgaande jaren. De jaren die het sterkste naar voren kwamen met een correlatiecoefficiënt van meer dan 0,6 waren 2001,
1999, 1962, 1958, 1955 en
1952 (de vetgedrukte jaren zijn de sterkst gecorreleerde jaren).
Ik heb vervolgens de mediaan van de waargenomen afwijkingen van de seizoensgemiddelden van deze jaren t.o.v. het 1971-2000 normaal genomen als basis voor de verwachting, waarbij de spreiding is bepaald door de 5% en 95% percentielen van dezelfde jaren. Uiteindelijk komt er dan uit dat de aanstaande zomer thermishc volstrekt normaal zal verlopen, met een onzekerheid van plus-minus circa één graad. Wel zal het enigszins nat verlopen, doch de onzekerheid is daar wel vrij groot met 55 millimeter.
Om nog de significantie te bepalen van deze verwachtingen heb ik de normale afwijkingen van de temperatuur en neerslaghoeveelheid in de zomer bekeken. Deze bedragen respectievelijk 1,0°C en 62 mm. De normale afwijkingen bedragen 1,0°C en 62 mm. Wat betreft temperatuur is de verwachting dus licht significant, wat betreft neerslag is de verwachte spreiding kleiner dan de normale klimatologische marge en dus insignificant.
Gr. Ben
De numerieke verwachting
Gemiddelde zomertemperatuur: 16,6°C ±1,2°C
Hoeveelheid neerslag: 223 mm ±54 mm
De tekstuele verwachting
Op basis van de analogieën kan geconcludeerd worden dat we de afgelopen lente te maken hadden met een versterkte zonale stroming boven de westelijke helft van de noordelijke Atlantische Oceaan. Als we kijken naar de zomers die volgden op de jaren waarmee het patroon van de afgelopen lente sterk overeen kwam, dan zien we een vrij heftig meanderende, zonale stroming die afwisselend vrij natte en koele periodes opleverde maar ook diverse erg warme en droge perioden. Van een overwegend blokkerend of zonaal patroon was geen sprake.
Mijn verwachting is dan ook dat we deze zomer een sterk wisselend weerbeeld zullen houden, net zoals de maand mei eigenlijk al was, met vrij scherp begrenste perioden van 5 tot 10 dagen van nat en koel weer tegenover (zeer) warme perioden met nauwelijks neerslag. Al met al komt daardoor de temperatuur gemiddeld rond normaal uit, terwijl er op de meeste plaatsen wel iets meer neerslag dan normaal valt.
Gr. Ben
Quote selectie