Erg mooi verhaal, veel dingen gelden

Bericht van: Stefan (Maarssenbroek-Utrecht) , 09-12-2003 10:34 

ook voor ons, (www.weer.nl)


Modellen hebben beleving (winter)weer erg veranderd maandag 08 december 2003

Het mag dan op dit moment vriezen in Nederland, veel winterliefhebbers zijn toch niet helemaal tevreden. Want: langer dan een paar dagen duurt het niet en een strenge winter komt er waarschijnlijk ook nooit meer. De laatste weken is die verzuchting onder veel winterliefhebbers weer meer dan eens te horen en ook te lezen. Murw geslagen door de opwarming van de aardatmosfeer als gevolg van het versterkte broeikaseffect, de superzomer en het zoveelste te warme jaar op rij, hebben ze de handdoek in de ring gegooid. De weerkaarten zijn weer ‘bagger’, staat op weerfora op internet te lezen. En als ze al eens voor een winters scenario kiezen, dan bestaat dat alleen maar op papier en wordt nooit werkelijkheid. Ja, het zijn zware tijden voor winterliefhebbers.
En toch. Hebben we dit jaar, na een heel hete zomer nota bene, niet zomaar ineens de op 4 na koudste oktobermaand van de laatste honderd jaar beleefd? En sneeuwde het niet, op 24 oktober al, op uitgebreide schaal na een nacht waarin op vliegbasis Twenthe met –8,5 graden de allerlaagste oktobertemperatuur ooit werd geëvenaard? In het noordoosten kwam het zelfs tot 14 vorstdagen op rij. Toch een bijzondere prestatie voor een maand als oktober. Daar zat hem meteen ook het probleem, zo is de uitleg. Het was nog maar oktober. En dan is het nog geen winter. De kou kwam twee maanden te vroeg. Want was het wel winter geweest, dan zou het pas wat zijn… Trouwens, nu we het toch over de winter hebben. Die van 2002/2003 was helemaal niet onaardig. Er zat behoorlijk wat vorst in. Alleen kwam het erg verspreid over de winter voor. Het was net niet genoeg voor mooi schaatsijs. En dat zal de nasmaak voor de liefhebber mogelijk wat negatief bepaald hebben.




Op veel plaatsen heeft het de afgelopen nacht licht tot matig gevroren. De laagste temperatuur werd op de vliegbasis Twenthe gemeten met -8.2 graden.

De laatste Elfstedentocht zal op 4 januari aanstaande op de kop af 7 jaar geleden voor de laatste keer verreden zijn. Zeven jaar lijkt een lange periode. Maar we hebben er wel eens veel langer op moeten wachten. Tussen 1963 en 1985 zat een periode van 22 jaar, om maar eens wat te noemen. Dat is pas lang. Toen was van verhalen over een versterkt broeikaseffect nog niet eens sprake. Denk bij voorbeeld maar eens aan de jaren zeventig. Zachte winters regen zich aaneen. Zonder dat het aan winterweer ontbrak, overigens. Want een winter zonder winterweer, ook al is het maar voor even, komt zelfs in een land als Nederland nauwelijks voor. Maar ook toen was vaak te horen dat de winters van tegenwoordig en die van toen niet met elkaar te vergelijken waren. Totdat de winter van 1978/1979 kwam, misschien wel een van de spectaculairste die Nederland ooit heeft gehad.

Oke, de winters zijn gemiddeld misschien wat korter geworden dan vroeger. De warme extremen zijn wat uitgesprokener dan ze tot voor kort waren. Maar de koude extremen zijn niet verdwenen en zullen ook niet verdwijnen. Datzelfde geldt echter voor de grilligheid van het Nederlandse klimaat. Die grilligheid waar we ook nu maar geen vat op krijgen. Die bepaalt dat er geen patroon te ontdekken is in het optreden van koude en superzachte winters. En die er voor zorgt dat het wachten zo lang duurt, zeker als je het gevoel hebt dat het ook deze winter weer niet gaat lukken.

Is daarmee de ongedurigheid van de winterliefhebber pur sang helemaal verklaard. Nee, want er is nog iets. Tegenwoordig zijn er De Modellen. De modellen die voor iedereen die internet heeft toegankelijk zijn. Die er ijverig op los rekenen, sommige zelfs vier keer per dag en wel tot 15 dagen ver vooruit. Ze laten vorstperiodes beginnen en weer eindigen. Komen met hogedrukblokkades, verbindingen tussen het Azorenhoog en een hoog bij Groenland, genereren koude afstromen over Scandinavië en brengen Nederland meer dan eens op de rand van de totale winter. Dat laatste meestal in het ultraglazenbolbereik (het UUUGKB, waarbij GKB voor GlasKugelBereich staat), zoals het op de ook eerder al aangehaalde weerfora zo mooi wordt genoemd. Over twee weken dus. Als hetgeen het model berekent met het weer van nu weinig meer van doen heeft.

Prachtig om naar te kijken, natuurlijk, maar tegelijkertijd ook erg stemmingsbepalend. Euforie en depressiviteit liggen voor de liefhebber dichtbij elkaar en kunnen elkaar op een dag zelfs meerdere keren afwisselen. Met de verschijningsfrequentie van De Modellen als leidraad. Een gevaar ligt wel op de loer. Want de beleving van het weer dreigt steeds meer de beleving van De Modellen te worden, die niets anders doen dan een poging om dat weer te simuleren. In plaats van naar buiten te gaan en te genieten van die paar dagen vorst waar we nu middenin zitten, zit menig winterliefhebber achter zijn computer en betreurt in stilte dat het wintertje, dat er soms nog niet eens is, volgens De Modellen niet meer dan een paar dagen zal duren. En dat er daarna in het UUUGKB onvermijdelijk een westcirculatie zal volgen. En dat als dat uitkomt, het zeker niks meer wordt met de winter. Dat we dan weer een lang jaar moeten wachten.

Vijfentwintig jaar geleden stond Nederland aan de vooravond van wat een van de spectaculairste winters van de laatste honderd jaar zou worden. Internet bestond toen nog niet, De Modellen waren er alleen voor meteorologen van het KNMI en een paar andere ‘gelukkigen’ en ze keken ook nog eens een stuk minder ver vooruit dan tegenwoordig. Meer dan de verwachting ‘voor morgen en overmorgen’ was er op radio en tv niet te horen. Voor de winterliefhebbers restte niet veel meer dan een, misschien wel prettige, onwetendheid. Een maximale ruimte ook om alles rustig over zich heen te laten komen. En om van de ene verbazing in de andere te vallen. We gaan nog eens terug naar toen om herinneringen op te halen aan een winter waarvan het einde vele malen werd aangekondigd, maar dat even zovele malen toch niet kwam.




Op 14 februari 1979 veranderde het noorden van het land in een stuivend poollandschap. Het openbare leven kwam helemaal tot stilstand. Foto: Peter van den Born.

Voor mij begon de winter van ‘78/79 op 27 december 1978. Ik was 10 jaar oud en reed met een paar anderen op pony’s van het illustere Nieuw-Milligen naar mijn woonplaats Garderen, midden op de Veluwe, om daar aan de wekelijkse rijles mee te doen. Het was bewolkt, maar niet koud. De paden waren door de regen van de voorgaande dagen erg modderig geworden. Dat het de dagen daarna winter zou worden, wist nog eigenlijk niemand. Ik ook niet. Want had ik het geweten, dan was ik waarschijnlijk met niets anders meer bezig geweest. Plotseling zette een van de pony’s het op een lopen. Die van mij reageerde als zo vaak heftig. Hij bokte, gooide mij eraf en zette het op een lopen. Omdat ik hem niet wilde laten gaan, hield ik de teugels vast. Dat had ik beter niet kunnen doen. Als vanzelf werd ik naar de hollende benen van het dier toegetrokken en voordat ik het wist, raakte een ervan mijn hoofd. Even was ik buiten westen, maar al gauw ging het licht weer aan. Ik lag groggy in de modder en de rest ging achter mijn pony aan, die snel werd gevangen.

Rijden was er niet meer bij. M’n vader werd gebeld, vanuit een dichtbijzijnd huis. Hij kwam met de veekar achter de auto mij en de pony ophalen. Eerst ging het naar huis, daarna naar het ziekenhuis in Harderwijk en daar moest ik een paar nachtjes blijven, ‘ter observatie’. Er werd een schedelbasisfractuur geconstateerd en een hersenschudding. Daar lag ik dan. Met een deuk in m’n kop, een knallende hoofdpijn en met zusters die eens per uur kwamen kijken of het wel goed ging. Buiten striemde de regen tegen de ramen. Het waaide. En het was warm, vertelden mijn ouders. Wel 12 of 13 graden. ’s Avonds vertelden ze er echter bij dat het in het noorden al was gaan vriezen met ijzel en sneeuw. En dat het koude weer de volgende dag ook naar Midden-Nederland zou komen.

De volgende dag mocht ik naar huis. M’n ouders haalden me op. Terug naar Garderen ging het over een spekgladde, Veluwse weg. Auto’s lagen op de kop in de kant. We reden voorzichtig. Het was net gestopt met regenen. Het vroor zes graden. Van de dokter moest ik nog twee weken in bed blijven. Dus stuurden m’n ouders me ook snel naar boven. Maar het zou gaan sneeuwen. Ik was boos. Van slapen kwam er door de knallende hoofdpijn trouwens toch niks. Dus bedachten ze een list, zetten een bed beneden voor het raam. En daar kon ik gaan liggen. Kon ik het toch zien.

Het was 30 december en de sneeuw kwam. De nacht daarna ging het hard waaien en het werd berekoud. De jaren zeventig naderden hun einde. Winterweer hadden wij, jong als we waren nog niet vaak beleefd. Het sneeuwde best eens en af en toe hadden we ook echt wel het ijs op gekund. Maar een strenge winter, waar m’n ouders al zoveel over verteld hadden, had ik nog nooit meegemaakt. Toen de volgende dag bleek dat de sneeuw bij ons in de tuin op grote hopen was geblazen, was ik dan ook zeer verbaasd. Ik had er nooit bij stilgestaan dat sneeuw, als het maar vriest, ook kon stuiven. Het zag er prachtig uit onder die diepblauwe hemel van die dag. Het vroor dat het kraakte buiten, maar omdat ik binnen moest blijven en alleen de warmte van in huis voelde, dacht ik dat het dooide. Opnieuw was ik boos en teleurgesteld. Want nu lag er eindelijk eens een keer sneeuw, mocht ik niet naar buiten en kon ik niet gaan sleeën. Het was oneerlijk. Want die winter zou toch niet lang duren. Zo was het immers altijd geweest in de jaren zeventig. Twee weken waren veel te lang. Bah!




Schaatsen op het schoolplein voor de kerk. Niet omdat de brandweer het plein had opgespoten maar omdat het zo vaak ijzelde. Foto: Peter van den Born.

Het bleef vriezen. De tweede januari had het KNMI het over een plaatselijke sneeuwbui aan zee. Weer pech. Waarom niet bij ons? Ik werd op mijn wenken bediend. De radio was nog niet uitgezet, of ook in Garderen trok de hemel dicht. Het begon te sneeuwen en stevig te waaien. Het ging zelfs hard sneeuwen. Zo hard dat ik me niet kon herinneren dat ik het ooit zo hard had zien sneeuwen. Ondertussen vroor het bijna 10 graden. Auto’s bij ons in de straat kwamen af en toe bijna vast te zitten. Het zag er ijzig uit. Ik vond het prachtig, maar de deuk in m’n hoofd bleef beuken. Toch maar weer liggen. De volgende dag las ik in het weerbericht van Hans de Jong in Trouw dat het in Zeeland, terwijl het grootste deel van Nederland met sneeuwjachten te maken had, een tijdje had gedooid en geregend. Ik kon me er, gezien de kou buiten, weinig bij voorstellen.

Het duurde die eerste weken van januari niet lang of het KNMI begon het over dooi te hebben. En af en toe kwam de temperatuur overdag ook wel even boven nul. Maar de sneeuwlaag schrok daar niet van. Ik kwam weer op de been en kon volop van het winterse weer genieten. Een weekend herinner ik me nog goed. We gingen naar familie in Terschuur, de plaats waar de veevoederfabriek van mijn vader stond. Daar lag op het terrein een berg waar je prachtig vanaf kon sleeën. Samen met neefjes en nichtjes en kinderen uit de buurt gaven we ons er helemaal aan over. Ineens begon het te regenen. Voor ons kwam dat als een verrassing, want het dooide toch echt niet. Snel haalden mijn ouders ons van de slee en reden terug naar het 17 kilometer verderop gelegen Garderen. Eerst reden ze heel voorzichtig. Toen het weer droog werd, ging het een stuk sneller. Het ijzelde. De weg zou in een ijsbaan veranderen, vertelde mijn vader. Dat hadden we nog nooit meegemaakt.

De volgende dag stapten we dan ook vol verwachting naar buiten. Maar er was helemaal geen ijsbaan. Sterker nog, het had in Garderen helemaal niet geregend. ’s Middags kwam mijn vader terug van het werk in Terschuur en vertelde dat het daar zo hard geregend had dat er wel 1 tot 2 centimeter ijs op de weg en op de auto’s had gezeten. Maar die regen was gewoon niet verder gekomen. Het was het beeld van de winter. Nederland op de grens van kou en dooi. Keer op keer werd een doorzetten van de dooi verwacht. Keer op keer gebeurde dat echter niet.

Later drong de ijzel wel tot Garderen door. Vele malen zelfs. Het was ’s ochtends dan zo glad op de weg dat we door het dorp naar school schaatsten. Midden over de weg, want er reed toch niemand. Midden op de dag zorgden pekel en verkeer ervoor dat een deel van de weg ontdooide. Aan de randen bleef echter genoeg ijs over om weer naar huis te schaatsen. Op het schoolplein kon ook volop worden geschaatst, in de schaduw van de kerktoren. Niet omdat de brandweer water op het plein had gespoten, maar omdat de natuur zo vriendelijk was om dit te doen.




Sneeuwduinen groeiden aan tot aan de dakgoot. Foto: Peter van den Born.

Na weer een ijzeldag werd de definitieve dooi aangekondigd. De meeste mensen leken de winter zat. De aaneenschakeling van chaos en overlast had hen moe gemaakt. Toen ik de volgende ochtend naar buiten keek, verwachtte ik dan ook natte straten en drab in de tuin en op de stoepen. Niets was minder waar. Het was helder en het vroor nog steeds. Volkomen onverwacht had zich boven Scandinavië een nieuw hogedrukgebied gevormd, las ik later in het dagelijkse weerbericht van Hans de Jong. Het had de dooizone opnieuw naar het zuiden teruggedrongen. De winter ging door.

De winter ging door, ook in februari. Vanaf eind december lag er al sneeuw in Garderen. Het werd normaal. Het werd ook normaal dat het steeds vroor. Het was bijzonder als het overdag een tijdje dooide. Soms ijzelde het of viel een beetje sneeuw, maar grote hoeveelheden waren het niet. Soms ook vroor het in de nachten dat het kraakte. Als het even helder was en windstil. Veel vaker probeerde de dooi in te vallen, was het bewolkt en grijs en vroor het maar net. Tot een echte doorbraak kwam het echter niet. Het weerbeeld bleef winters. De groene kleur in het land was en bleef schaars.

De volgende, definitieve dooi diende zich rond 12 februari aan. Maar nu was het dan ook echt definitief. Vanuit het zuiden zou het gaan sneeuwen, daarna gaan ijzelen en dan zou het voorbij zijn. Echt voorbij. We zetten ons nog een keer schrap. Op bezoek bij vrienden van mijn ouders in Nieuw-Milligen zag ik dat het inderdaad begon te sneeuwen. De wind trok aan, de sneeuw stoof en het werd dreigend wit buiten. De volgende ochtend had de zachte lucht gewonnen. Ik mat 10 graden op mijn huis-tuin-en-keuken thermometertje. Er stonden grote plassen op de sneeuw en het voelde buiten onwerkelijk warm en vochtig aan. Af en toe regende het. De winter was voorbij.

In het nieuws werd verteld dat alleen het uiterste noorden nog in de vorst zat, met ijzel. Maar ook daar zou de winter snel verdwijnen. Toch wist ik het niet helemaal zeker. ’s Avonds ging ik nog een paar keer naar buiten. Het was hard gaan regenen, de druppen spatten in het licht van de auto’s op de straat uiteen zoals ze dat in de zomer zo mooi kunnen doen. Het was geen 10 graden meer. Sterker nog, de temperatuur was alweer tot een graad of 3 gedaald. Ik hoopte op sneeuw. De volgende ochtend deed ik de voordeur open en pakte de flessen melk, die de melkboer daar zoals altijd had neergezet, van de stoep. Ze waren gedeeltelijk bevroren. Juichend rende ik naar mijn ouders. Het vriest weer! Het sneeuwt! Verbaasd gingen ze kijken of het waar was.

Wat volgde was de sneeuwstorm van 14 februari. Ik vond het maar een rare dag. Voor het oog sneeuwde het nauwelijks. Het was meer alsof er voortdurend stuifsneeuw in de lucht hing. Toch viel er echt sneeuw, want allengs werd het dorp voor het verkeer opnieuw tamelijk onbegaanbaar. Toen ik van school naar huis terugliep, waren ze middenin het dorp (op een plaats waar de bebouwing smal is en waar de wind vanaf een open veld vrij spel had) met een graafmachine bezig om een kruispunt weer van sneeuw te ontdoen. Later ben ik met een paar vriendjes nog door het buitengebied gaan lopen. De sneeuwduinen, die we vonden, waren soms hoog genoeg om er tot je nek in weg te zakken. Een grote, open vlakte was aan de westkant helemaal leeg gestoven. Aan de oostkant lag de sneeuw zo hoog dat we mensen hebben meegeholpen om hun auto weer uit te graven.




Boerderijen in Noord-Nederland waren dagenlang vrijwel onbereikbaar. Foto: Peter van den Born.

In het nieuws ging het ondertussen alleen maar over het noorden van het land. Ten noorden van de lijn Amsterdam-Harderwijk-Zwolle lag het openbare leven stil. Het was een bizarre situatie. Heel anders in elk geval dan datgene waar we ons op hadden ingesteld. Voor mijn vader leverde het nog heel wat hoofdbrekens op. Er zat een grote groep klanten in Friesland die dringend voer nodig had voor de dieren. Hij kon hen niet in de kou laten staan, vond hij. En dus werd een actie op touw gezet. Drie vrachtwagencombinaties, tot de nok toe gevuld met veevoer, togen ’s ochtends vroeg om 3 uur naar het noorden. Met de boeren, die de posities kenden waar grote sneeuwduinen de wegen richting hun boerderijen blokkeerden, werd afgesproken dat ze daar met trekkers klaar zouden staan. En dan zouden ze wel zien hoever ze konden komen. Het lukte tijdens een lange en zware dag uiteindelijk om alle klanten te bevoorraden. De reacties waren enthousiast. Mijn vader kwam tevreden terug. Niet alleen had hij zijn klanten niet in de kou laten staan, ook had hij een bizar winterlandschap gezien en op dia’s vastgelegd waarvan er een paar bij dit verhaal zijn afgedrukt.

Het duurde nog lang voordat de winter er echt de brui aan gaf. Nog weer enkele dooiaanvallen later echter kwamen de temperaturen dan toch boven het vriespunt. Heel langzaam dooide de sneeuw weg. Maar tot diep in het voorjaar konden we nog steeds restanten van sneeuwduinen terugvinden. Ik heb zelfs in mei of in juni, in elk geval op een moment dat het al lang weer warm was en groen met de bomen volop in blad, onder een hoop bladeren, die door de vele wind in de winter was opgewaaid, nog een sneeuwrestant teruggevonden dat daar netjes was geconserveerd. De grond onder de bladerstapel, die blijkbaar al die tijd perfect bleef isoleren, was nog steeds bevroren.

Het zegt iets over de hardnekkigheid van die winter van ‘78/79. Een winter die, ondanks het feit dat het alweer 25 jaar geleden gebeurd is, een onuitwisbare indruk heeft achtergelaten. Niet in de laatste plaats omdat we vrijwel voortdurend onwetend waren van hoe het verder zou gaan. Omdat De Modellen er geen kant mee opkonden. En waarschijnlijk ook omdat we zoveel ook nog niet wisten. De vraag is of een dergelijke winter, met de meteorologische kennis die we nu hebben, ook zoveel indruk zou hebben gemaakt. Misschien zouden De Modellen het wel beter hebben gezien. Misschien ook wel niet en zouden we op basis van de steeds weer binnendruppelende kaarten iedere ochtend in dooi en elke avond weer in de vorst hebben geloofd. Een ding staat echter vast. Voor het weer had het niets uitgemaakt. Dat kent gelukkig maar een oplossing. En die oplossing is altijd de juiste.

Reinout van den Born.



Bron: Peter van den Born , Meteo Consult

StayV the Weather and Piano man.

Erg mooi verhaal, veel dingen gelden   ( 254)
Stefan (Maarssenbroek-Utrecht) -- 09-12-2003 10:34
Re : Erg mooi verhaal, veel dingen gelden   ( 193)
alexander (Wortegem - Petegem) ( 67m) -- 09-12-2003 10:44