Hoe zijn seizoens- en jaargemiddelden berekend?
In de klimatologie is het om praktische redenen gebruikelijk om de seizoenen als volgt te definiëren.
Winter: december, januari en februari (gemiddeld de 3 koudste kalendermaanden)
Lente: maart, april en mei
Zomer: juni, juli en augustus (gemiddeld de 3 warmste kalendermaanden)
Herfst: september, oktober en november
Seizoens- en jaargemiddelden zijn berekend als gemiddelde van de dagelijkse waarden, omdat je het werkelijke tijdsgemiddelde met deze rekenmethode het dichtst benadert. Ik benadruk hierbij dat ik voor het seizoensgemiddelde (of jaargemiddelde) niet het gemiddelde van de drie (of twaalf) maandgemiddelden neem. Bijvoorbeeld, voor de winter van 1956 (schrikkeljaar) kom ik niet uit op een wintergemiddelde temperatuur van ( [147.8/31] + [69.3/31] + [-184.6/29] ) / 3 = 0.2°C, maar van (147.8+69.3-184.6) / 91 = 0.4°C. Hiermee kunnen verschillen met de KNMI lijsten (wintertop-10 en zomertop-10 van de temperatuur) worden verklaard.
Quote selectie